geselecteerd als gefixeerd bericht

Louis Paul Boon [in het Kort]
Boeken van L.P. Boon zijn onder meer verkrijgbaar bij:

Antiquariaat Klondyke
Bakkenzuigerstraat 46
1333 HA Almere
Nederland
opslag/foto geplaatst met toestemming van Antiquariaat Klondyke

of bij:
http://www.klassieken.nl/boekboek/show/id=31737

———————–

Louis Paul Boon (Aalst 1912 – Erembodegem 1979), Belgisch Nederlandstalig schrijver,
volgde lessen aan de Academie voor Schone Kunsten te Aalst (1926-1928), was
arbeider, gevel- en autoschilder, sedert 1944 journalist bij de communistische bladen
als De Rode Vaan (1944-1947) en Front (1947-1950), en van 1954 tot 1972
vaste medewerker en later cultureel redacteur van het socialistische dagblad
Vooruit (Gent).

Boon maakte meteen naam met zijn debuutroman De voorstad groeit (1942).
In Mijn kleine oorlog (1946), dat steunt op eigen belevenissen en herinneringen
van de auteur, wordt de waanzin van de oorlog weergegeven vanuit het gezichtspunt
van de kleine man. Daarna: de roman De Kapellekensbaan (1953), waaraan hij tien
jaar had gewerkt, en waarin ook de neerslag van zijn journalistieke arbeid te vinden
is. Met Zomer te Ter-Muren (1956) vormt dit werk een tweeluik, dat algemeen als
Boons meesterwerk wordt beschouwd.

Heel populair werd zijn achttiende-eeuwse roverhoofdman Jan de Lichte in de boeken
De bende van Jan de Lichte en de zoon van Jan de Lichte.

In 1971 verscheen zijn roman Pieter Daens, of hoe in de negentiende eeuw de
arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht, dit boek werd ook verfilmd.

15 November 2006
By on 02:58
90 Mensen.

Taal NederlandsTitel 90 mensen : bekende en minder bekendeAuteur/Uitvoerder Louis Paul Boon (auteur)Uitgever Amsterdam : Querido, 1977Kenmerken 188 p.

4 August 2006
By on 17:21
Zijn dood.

http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelid=ga5e8vlq

19 October 2005
By on 17:20
Vezameld werk.

http://www.lpboon.net/index.php?

page=lijst_biblio&lijst=07Op 11/11 verschijnt het eerste deel van het Verzameld Werk van Boon. Meer informatiehierover vind je hieronder : Louis Paul Boon – Verzameld werkMeer dan 25 jaar na zijn dood krijgt Louis Paul Boon zijn Verzameld werk. Het L.P. Boon-documentatiecentrum van de Universiteit Antwerpen zal samen met de Universiteit Gent het Verzameld Werk van de schrijver verzorgen. Uitgeverij De Arbeiderspers, Boons vaste uitgever, brengt het op de markt. Het Verzameld werk zal 24 delen omvatten. Geen opsomming van romans, verhalen, reportages, gedichten en columns, maar in plaats daarvan vindt de lezer klassieke titels terug in gezelschap van minder bekende teksten en nagelaten werk. In principe wordt de oorspronkelijke publicatiedatum van de werken gevolgd, maar regelmatig wordt de chronologie doorbroken en krijgt de thematische samenhang de voorkeur.Dit najaar verschijnen de eerste twee delen. Als eerste verschijnt de bundel ‘Te oud voor kamperen?’ en andere verhalen (deel 5 van het Verzameld werk), een collectie humoristisch proza die associaties oproept met Hildebrand, aangevuld met de veelgelezen novelle Menuet. Het tweede deel (deel 14) bundelt de zogenaamde ‘onkruidboeken’, Het nieuwe onkruid en Als het onkruid bloeit, die worden voorafgegaan door de halve pulproman De liefde van Annie Mols, een eerste blauwdruk van Boons lucide kritiek van de ‘nozemgeneratie’.Elk deel is voorzien van een informatief nawoord en uniek fotomateriaal. Het eerste deel verschijnt op 11 november en wordt die dag feestelijk gepresenteerd op de Antwerpse Boekenbeurs. De medewerkers aan het project zijn: Kris Humbeeck (wetenschappelijke leiding), Britt Kennis (coördinatie), Ernst Bruinsma, Anne Marie Musschoot, Matthijs de Ridder, Yves T’Sjoen. De uitgave van het Verzameld werk van Louis Paul Boon komt mede tot stand met de steun van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, de Provincie Oost-Vlaanderen en de Universiteit Antwerpen.

Foto P.C. Boon.

L.P.Boon gefotografeerd doorde fotograaf P.C. Boon.


By on 12:00
Biblografie

  Bibliografie    1942

 

De voorstad groeit    1944 Abel Gholaerts    1946 Vergeten straat    1946 Mijn kleine oorlog    1949 Boontje’s Uitleenbibliotheek, verhaal    1952 Boontje, Boontjes Twee Spoken, verhaal    1953 De bende van Jan de Lichte, Bandietenroman uit de jaren 1700    1953 De Kapellekensbaan, roman    1955 Menuet, verhaal    1955 Wapenbroeders, Een getrouwe bewerking der aloude boeken over Reinaert en Isegrimus    1955 Boontje’s reservaat 3    1956 De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat, verhaal    1956 Niets gaat ten onder    1956 Zomer te Ter-Muren, het tweede boek over de Kapellekensbaan    1956 Boontje’s reservaat 4    1957 Boontje’s reservaat 5, Wat verzameld dagwerk    1957 Zwerftocht doorheen de Italiaanse paleizen der Renaissance, reportage    1957 Grimmige sprookjes voor verdorven kinderen    1958 De paradijsvogel, Relaas van een amorele tijd    1958 Koninginnen met kronen van karton, Reportage van Boontje over de beroemde vrouwen van deze tijd    1958 Het leven der multimiljardairs, Een ‘vooruit’ -reportage van Boontje    1959 Vaarwel krokodil of de prijslijst van het geluk, een groteske    1960 Op zoek naar de nozems, Een reportage van Boontje    1960 Gustaaf Vermeersch, monografie    1961 De zoon van Jan de Lichte, en vroom en vrolijk boek    1962 Blauwbaardje in wonderland en andere grimmige sprookjes voor verdorven kinderen    1963 Dag aan dag, cursiefjes    1964 Het nieuwe onkruid    1964 Boon, vader en zoon, Petite Fleurke. Kosmonaut, foto’s met teksten    1965 Reservaat. Boontjes verzamelde reservaten    1965 Het ontstaan van de socialistische toneelbond te Aalst. 1890-1903    1965 Oljst, schetsen    1966 Dorp in Vlaanderen    1967 Kleine omnibus    1967 Wat een leven!    1967 Geniaal… maar met te korte beentjes, essays en polemieken    1968 16 van Louis Paul Boon    1967 De bom, een verhaal tijdens de opnamen van de gelijknamige film van Robbe de Hert    1969 3 mensen tussen muren, een roman in lino    1969 Over mijn boeken    1970 90 mensen, Bekende en minder bekende    1970 De bende van de Stronk of Paul van Ostaijen als romanschrijver    1971 Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht,                    documentaire    1972 Als het onkruid bloeit    1972 Mieke Maaike’s obscene jeugd. Een pornografisch verhaal, voorafgegaan door een proefschrift ‘In en om het kutodelisch verschijnsel’    1972 Eten op zijn Vlaams, kookboek    1973 Zondagsdroom, erotisch poëtisch proza    1973 Blauwbaardje in de ruimte, fotosprookje    1977 Het bos bij nacht. Gedichten, gedichten    1973 De meisjes van Jesses, naar de Openbaring van Johannes en het naar krantenknipsels bij elkaar geplakte Relaas over opzienbarende moorden in de stad Babylon    1974 Davids jonge jaren    1974 Menuet en andere verhalen    1975 Verscheurd jeugdportret, autobiografische kroniek    1975 Memoires van de Heer Daegeman    1976 De zwarte hand of het anarchisme van de negentiende eeuw in het industriestadje Aalst, verhalen naar de politiearchieven der stad Aalst    1978 Het vroege werk    1978 Over mijn werk, catalogus bij de tentoonstelling te Middelburg    1979 De Kapellekensbaan, Zomer te Ter-Muren    1979 De mummies, een tekst en zeven gedichten naar beelden van Francine Urbin Choffray    1979 Het Geuzenboek, documentaire    1979 De liefde van Annie Mols    1979 Louis Paul Boon, schrijver, 1912-1979, autobiografie    1980 Verzamelde gedichten    1980 Eros en de eenzame man, Een droefgeestig en schandelijk pornoverhaal    1982 Ook de afbreker bouwt op    1982 Proleetje en fantast, met Maurice Roggeman    1985 Restanten, een overzicht en ‘history’ van het vrouwelijk bloot of bijna- zoals het rond onze wereld van vandaag wordt aangeboden, reportage    1986 Hij was een zwarte en andere reportages    1988 Memoires van Boontje, autobiografie   

26 August 2005
By on 18:10
Beelden uit Hasselt. bib/gent

http://www.kapingamarangi.be/gallery/UtopievdPeriferie

http://www.bibliotheek.gent.be/webopac/vubis.csp

7 August 2005
By on 17:34
Het 1-ste Uur

Photobucket - Video and Image Hosting

4 August 2005
By on 11:28
verslagen en samenvatingen v scholieren

Inhoud:

1] mijn kleine oorlog {verslag v scholieren]

2] Boekverslag ‘De kapellekensbaan’

3] VWO verslag Mijn kleine Oorlog.

4] Vergeten Straat.

—————————————————————————————————————————–
1]Mijn kleine oorlog.

Louis Paul Boon

VERHAAL:

Mijn kleine oorlog gaat over Louis Paul Boon in de oorlog. Hij woonde in een voorstad van een
provincieplaats, achter de Aalterse Gentsesteenweg. Daar woonden mensen, die veel in het
verhaal voorkomen.

Louis was soldaat en streed tegen de Duitsers aan het Albertkanaal. Het gevecht ging niet zo
goed: er waren te veel Duitsers, de Belgische troepen hadden onvoldoende munitie en voedsel
en de Belgische legerleiding was nergens te bekennen. Louis werd gek van angst om wat hem,
zijn vrouw en/of zoontje zou kunnen overkomen.

Na het gevecht moesten Louis en Dinges zich overgeven aan de Duitsers. Als straf moesten zij
naar Duitsland lopen.

Overal langs de weg lagen dode paarden, kinderen, jonge vrouwen en Belgische en Duitse

soldaten. Louis en Dinges kwamen in een kamp terecht, waar luizen en honger niet ongewoon
waren. Soms kregen ze een kaartje van thuis…

Opeens gaat het boek verder in mei 1944, de “Roode Nacht”, toen de geallieerden dreigden
de spoorwegen en/of wapenfabrieken van de Duitsers te bombarderen.

Omdat men in de buurt van het spoor woonde, werd iedereen heel bang om getroffen te
worden, toen verkenningsvliegtuigen (rode) lichtkogels afschoten.

Louis en zijn vrouw hadden het niet meer van de angst; Louis dacht zelfs dat hij dood zou
gaan. Toch liep alles tóen goed voor hem af!

Maar niet iederéén had zoveel geluk!

Zo was er een gniepig oud mannetje, die men “de oude Ekster” of “de oude Rat” noemde.
Hij had voor de Duitsers gewerkt en daarvoor veel geld gekregen. Toen hij na zijn roes
in een bordeel wakker werd, vielen de bommen overal om hem heen. De hoeren waren
dood, het bordeel kapot en “de oude Ekster” was al zijn geld kwijt.

Een oude vriend van Louis, meneer Van den Borre, kwam er niet echt beter vanaf.
Eerst ontvluchtte hij de bommen, ging daarna in Florennes werken, maar werd dáár
uiteindelijk toch nog door bommen getroffen.

‘Mijn kleine oorlog’ bestaat uit kleine korte verhaaltjes over de armoe, waarin vooral
beschreven wordt hoe de mensen proberen wat aan die armoe te doen.

De “kleine kooldieven” gingen bijvoorbeeld stiekem ‘s nachts kolen jatten om het wat
warmer te hebben. De “Vieze” bedelde alles bij elkaar en een controleur van de
dierenbescherming liet van alles toe om zoveel mogelijk te kunnen krijgen.

Louis en Albertine deden aan deze praktijken niet mee.

Albertine verzwakte daardoor. Toen zij daarna kanker kreeg, overleed zij snel.
Dat gebeurde precies op de dag, dat de gealliëerden aan land kwamen.

‘Mijn kleine oorlog’ wordt anders na het verhaaltje “Het eerste uur”.

Een zekere meneer Prosken, die zich van niemand iets wil aantrekken, wilde voor
meer rechtvaardigheid strijden. Louis en zijn vrouw sloten zich bij hem aan.

Louis hoorde op de radio dat de mensen van het verzet uit de kampen terug
waren gekomen. Een joods meisje, dat hij kende, dat Lea Lûbka heette, zou
ook weer gezond thuis gekomen zijn. Louis was daarover eerst heel blij, maar
dat veranderde later toen hij hoorde, dat Lea overleden was, doordat ze
‘s nachts te lang in de koude regen had moeten staan.

Op een goede dag kwamen de gealliëerden aan, wat volop gevierd werd.
Alle vrouwelijke Amerikaanse soldaten hadden kauwgom en sigaretten,
behalve de “laatste”. Deze rustige vrouw – die een hazelip bleek te hebben
– gaf haar pakje sigaretten aan de vrouw van Louis.

Na de komst van de geallieerden dacht Louis: “de buitenlandse vijand is
verdreven, nu komen de oude, de binnenlandse vijanden weer aan de macht”.

In het volgende verhaaltje lezen we de bekende uitspraak van Louis Paul Boon
“Schop de menschen tot zij een geweten krijgen”. Ik denk dat Louis daarmee
bedoelde, dat de mens altijd wel probeert de baas te spelen over andere mensen.
In dit hoofdstukje zegt de schrijver dat de hoop op een betere wereld voor
hem nog kleiner is geworden.

Na dit alles vertelt Louis wat hij vijftien jaar na de oorlog beleefd heeft.

Op een plein ontmoette hij een vrouw, op wie hij erg verliefd was, toen zij tijdens
de oorlog bij zijn ouders thuis het huishouden deed. Vijftien jaar later herkende
zij hem niet meer en zag zij hem niet staan. Ze stapte in haar auto en reed met
een grijns op haar gezicht weg. De modder op de weg spatte daardoor op tegen
de broek van Louis.

Louis kwam óók de bedelaar uit de oorlog tegen. Ondanks hun gesprek, herkende
ook de “Vieze” Louis niet meer!

Het laatste verhaaltje, “Het laatste woord” gaat over Madame Odine. Deze vrouw
dacht, dat ze hoog op de sociale ladder terecht zou komen. Maar dat mislukte!
Haar zoons behaalden geen succes, maar kwamen in de gevangenis terecht!

Toen Madame Odine later op straat in elkaar zakte, sprak zij nog als laatste woord:
“Wat heeft het alles voor zin?”

Met deze vraag, die typerend is voor het hele boek, sluit ‘Mijn kleine oorlog’.

PERSONEN:

Louis Paul Boon

1; UITERLIJK: Waarschijnlijk legeruniform (begin van het verhaal)

2; VERLEDEN: Hij is geboren op 15 maart 1912 in Aalst. Na de lagere school volgde hij
2 jaar technisch onderwijs, maar werd er af gestuurd. Daarna volgde hij de
kunstacademie (sierschilderen). Daar kreeg Louis marxistische ideeën. In de oorlog
combineerde Louis journalistiek met schrijven. Later beschreef hij in opdracht
“de oorlog vanuit een wereld van een kleine man.” ( = Mijn kleine oorlog ).

3; HANDELINGEN: Hij heeft in het leger gezeten en heeft de “Roode Nacht” meegemaakt.

(zie “VERHAAL”)

4; GEVOELENS: Hij vond het vreselijk om al die armoede te zien. Hij dacht zelfs even
dat hij dood ging. (Roode Nacht) Hij was eerst heel verdrietig, maar later krijgt hij hoop.

5; BEDOELINGEN: Hij vindt dat iedereen die de oorlog meegemaakt heeft “zijn eigen
(persoonlijke) kleine oorlog” kan schrijven. Hij probeert duidelijk te maken hoe nutteloos
al die ellende en de oorlog op zich is.

Dinges

1; UITERLIJK: Waarschijnlijk legeruniform.

2; VERLEDEN: Hij heeft in Polen en in Spanje gevochten.

3; HANDELINGEN: Hij verzorgde de goudvissen. Hij ziet ‘officieren’ als de grootste vijand

4; GEVOELENS: Hij kan er moeilijk tegen, als hij al die mensen en die armoe ziet.

5; BEDOELINGEN: Hij wil dat de oorlog snel voorbij zal zijn.

De Oude Ekster / de Oude Rat

1; UITERLIJK: Klein vies min mannetje.

2; VERLEDEN: Wordt niets over gezegd.

3; HANDELINGEN: Werkte voor de Duitsers. Dronk veel en ging naar het bordeel.

4; GEVOELENS: Hij is een gierige lafaard en een egoïst.

5; BEDOELINGEN: Hij wil alleen maar van de oorlog profiteren door zoveel mogelijk geld bij
de Duitsers te verdienen.

Lea “Liesje” Lûbka

1; UITERLIJK: Ze is Joods (en gaat dus zo gekleed) en heeft een opvallend kindergezichtje.

2; VERLEDEN: Wordt niets over gezegd.

3; HANDELINGEN: Ze moest illegale kranten rondbrengen en met springstof door de stad

lopen. Ze uit haar mening “om de 2 weken.” Ze breidde veel.

4; GEVOELENS: Wordt niets over gezegd.

5; BEDOELINGEN: Wordt niets over gezegd.

PERSPECTIEF:

In dit verhaal komt vooral het ik-perspectief voor, het perspectief ligt bij Louis.
Meestal is hij hoofdfiguur, soms een bijfiguur. De ene keer vertelt hij, de andere keer
is hij meer een soort “kijker.” Er is dus een auctoriële vertelsituatie, omdat hij én
vertelt, én persoonlijke ervaringen beschrijft. Wat ook voorkomt is “Gij” (de Gij-vorm).

Soms wordt de lezer met Gij aangesproken, maar meestal is het een persoon in het
boek, die hij daarmee aanspreekt.

—————————————————————————————————-
2] Boekverslag ‘De kapellekensbaan’

Naam auteur: Louis Paul Boon
Titel Boek: De Kapellekensbaan
Plaatsnaam: Amsterdam & Antwerpen
Jaar verschijning: 1953
Jaar Druk: 25e druk, 1994
Gebruikte lesmethode: Laagland

Beschrijvingsopdracht

De motivatie van mijn boekkeuze

Ik heb dit boek gekozen omdat dit het enige boek van 4 punten was dat bij dit
thema paste. Omdat ik door boeken met veel punten te lezen mijn cijfer mondeling
voor mijn examen omhoog kan halen wil ik graag boeken met veel punten lezen.
Ook is mijn ervaring dat 1 of 2 punters mij niet echt meer kunnen boeien, ze zijn
te makkelijk.

De korte weergave van de korte inhoud.

In dit boek worden 3 situaties geschetst. Het verhaal van de schrijver van dit boek,
die zich Boontje noemt, wordt verteld, inclusief het commentaar van zijn
(denkbeeldige) vrienden op het boek dat hij schrijft. Ook het verhaal dat hij schrijft,
over een meisje Ondine wordt verteld. En een van de (denkbeeldige) vrienden van
Boontje, Johan Janssens, voegt een verhaal over Reinaerd de vos toe. Ik zal de
verhalen apart samenvatten.

Boontje
Boontje besluit een boek te schrijven over het leven en hij zegt ook welke
elementen hij er in wil stoppen. Zijn vrienden zijn bij zijn besluit.
Als eerste krijgt Boontje een aanbieding om naar Congo te gaan, een kolonie
van België waar hij woont. Hij zou dat wel willen, maar er blijkt later een test
te zijn geweest voor iedereen die naar Congo wilde. Hij was niet voor de test
uitgenodigd en ondertussen zit iedereen al in Congo. Boontje wijt het aan zijn
socialistische neigingen.
Dan wordt Johan Janssens, een dichter en dagbladschrijver, en ook socialist,
door de krant vertelt dat er een commissie komt die zijn stukken voor de krant
zal keuren op politieke correctheid. Johan besluit niet meer voor de krant te
schrijven, en hij wordt gevelschilder.
Het animo onder de vrienden van Boontje om over het boek te komen praten
daalt, en de stoelen blijven leeg. Tippetotje, de schilderes, zit in Brussel maar
schrijft wel naar hem.
Dan hoort Boontje dat zijn zus, Jeanneke, kanker heeft. Later sterft zij en
hebben zijn ouders, en vooral zijn moeder, veel verdriet. Zijn moeder zegt
tegen Boontje dat ze het hem verwijt dat hij nog leeft en zijn zuster niet,
en hij kan niets meer goed doen voor haar.
De laatste gebeurtenis is dat Boontje met zijn vrienden door weilanden loopt
en dat Boontje oppert om een boerderij te kopen en er te gaan wonen in alle rust.
Later willen een paar vrienden van hem dat ook gaan doen.

Ondine
De eerste belangrijke gebeurtenis is het wonder dat aan Ondine’s broer Valeer
gebeurt, hij leert nl in haar bijzijn lopen terwijl hij dat eerst niet kon. Zij ziet
dit als een teken van god en wil erg heilig leven. ze denkt dat ze erg belangrijk is,
en beter dan de andere mensen.
Ze breekt op een dag het offerblok van de kerk open om geld te stelen om een
leren frak voor haar broer, Valeer, te kopen.
Als ze 12 is doet ze communie. Zij gaat echter niet werken, maar mag naar school
waar ze Frans leert en recepten krijgt. Dan hoort ze van de andere meisjes dat
ze een lief hebben, en zij wil er ook een. Daarom gaat ze ‘s avonds bij de
herberg van haar oom staan als de heren uit gaan, en op een avond wordt
ze opgemerkt door meneer Ludovic. Ze wordt verliefd op hem en op Achilles,
een andere heer. Ze gaat zich meer ophouden bij de herberg, en de jongens
komen haar op een avond halen om mee te gaan naar de herberg. Toen werd
ze echt verliefd op Achilles.
Ze voelde zich nu echt belangrijk omdat ze zich met de heren ophield. Maar de
heren kwamen steeds minder naar Ter-Muren en Ondine hoorde dat Achilles in
een nieuw huis in de stad woonde. Ze besloot om in de stad nieuwe schoenen
te gaan kopen en ging ook kijken bij het nieuwe huis Daar bleef ze op Achilles
wachtten en ze viel in slaap. Achilles vond haar daar en bracht haar terug naar
de Kapallekensbaan.
Hierna werd ze regelmatig door Achilles opgehaald. Na een tijdje bleef ze ook bij
hem slapen, en ze kwam nog weinig thuis.
Achilles moest echter met iemand anders trouwen en ze stond op straat, en
ze was zwanger. Ze gooide het kind weg, zonder spijt. Ze kreeg later de
schijnwerkerij van de 4 nieuwe huizen van de Derenancourts in handen,
en zo konden zij en haar familie wat geld verdienen.
Ondine ging het geld voor de woningen maandelijks ophalen bij de toekomstige
bewoners. 1 van de 4 betaalde echter niet. Valeer verhuisde met hun nicht
naar Brussel.
Vapeur moest het geld voor het hout van de huizen gaan betalen, maar er was
geen geld, Zulma bleek alles aan de kerk te hebben gegeven. Toen Vapeur
geld was wezen innen en met niets terug kwam, ging Ondine weer zelf, en ze
ontmoette bij de 4e betaler een zoon, Oscarke, en ze vond hem leuk.
Ondine ging naar haar nicht in Brussel, en toen ze weer thuis was liet Oscarke
haar een tekening van haar gezicht zien. Ze vroeg hem ten huwelijk.
Vapeur maakte zich zorgen over de kosten van het hout. Hij ging naar de
houthandel om de situatie uit te leggen en hij kreeg een brief waarin hij beloofde
om elk halfjaar af te betalen. Ondine had een droom over Oscr en ze vroeg hem
nogmaals ten huwelijk. Haar vader zegt dat ze geld moet gaan halen bij Schatt,
die nog niet betaald hebben voor hun huis. Ondine ontdekte dat het geld, dat
ze vroeger verstopt had in een doos, weg was. Ze wist dat Valeer en haar
nicht dat gedaan moesten hebben en was erg boos.
Oscar werd zowel door Ondine als door zijn moeder opgestookt tegen de ander.
Ondine schreef een brief aan zijn moeder, maar dat haalde weinig uit, daarom

besloot ze te wachten tot hij zelf naar haar toe zou komen, en dat gebeurde.
Toen ging Ondine vaart achter het huwelijk zetten. Ze probeerde geld van
Oscark’s vader los te krijgen in ruil voor sex, maar toen ze alleen op een kamer
waren schold ze hem uit en kreeg ze het geld zo. Ook regelde Ondine, per
ongeluk, een kamer voor hen om te wonen in een herberg.
Ondine zette alle rekeningen van de benodigdheden voor het huwelijk op
kosten van de familie Schatt. Toen ze na het huwelijk samen op hun kamer
zaten voelde Ondine dat haar leven niets waard was en niets zou worden.

Reinaert
Reinaerd is een vos, en hij heeft een neef , de wolf Isengrinus. Ze proberen samen
eten te vinden, maar dat mislukt 2 keer, deels omdat ze wel samen willen werken,
maar niet willen delen.
Dan weet Reinaerd Isengrinus aan te praten dat hij monnik moet worden.
Isengrinus werd door Reinaerd een paar keer in de maling genomen en had wat
problemen in het klooster. Toen vernam hij van zijn vrouw dat zij was verkracht
door Reinaerd. Isengrinus ging er mee naar de koning, maar die was niet onder
de indruk.
Reinaerd werd er ook bij gevraagd en wist Isengrinus weer een loer te draaien
zodat Isengrinus werd gevilt.

De persoonlijke reactie

Eerste persoonlijke reactie
De tekst liet me bepaald koud. Ik heb het boek doorgelezen, en de verhalen
gevolgd, maar ik werd er geen enkel moment door gegrepen. Ik vond de 3
verhalen wat raar bij elkaar, vooral Reinaert vond ik er slecht bij passen.
Het verhaal van Ondine was me het duidelijkst en vond ik ook het leukste
gedeelte van het boek. De stukken over Boontje waren soms wel leuk, maar
vaak hadden ze weinig verband met elkaar. Het waren vooral ideeën en
opvattingen van de schrijver en zijn vrienden, en dat maakte op mij een
warrige indruk. Het verhaal over Reinaert kwam zo weinig voor dat als ik
een stuk ging lezen ik eerst terug moest bladeren naar het vorige stuk om

te kijken waar het ook al weer over ging.

Uitgewerkte persoonlijke reactie

Onderwerp
Het was mij niet echt duidelijk wat het onderwerp van het boek was. Naar
ik heb vernomen ging het over geluk en hoe mensen dat willen bereiken en
er mee om gaan. Dat vond ik wel aardig, en kon ik ook wel in alle 3 de
verhalen terug vinden maar het bleef en blijft voor mij vaag.
Een ander thema is het eigenbelang van het individu dat over het
groepsbelang heerst. De kleine man is de dupe van dat eigenbelang.
Bij het socialisme zien we dat ook terug, want zij beweren wel om voor
iedereen op te komen, maar de vraag is of dat ook lukt.
Ook is er een conflict tussen de individuele droom van mensen en het
politieke of ideologische systeem. Dit zie je mooi bij Vapeur, die een
wetenschappelijke droom wil verwezenlijken maar door niemand wordt
begrepen, en door de maatschappij niet wordt geaccepteerd.

Gebeurtenissen
In alle 3 de verhalen gebeurde dingen, ik zal mijn mening over de 3
delen apart noemen:

Boontje
Ik vind deze gebeurtenissen niet erg spannend. Het zijn normale gebeurtenissen
die niet echt veel indruk op mij maken. Ook hebben ze niet een duidelijk verband
met elkaar, ze vormen geen geheel of verhaal. Ze hebben me ook geenszins aan
het denken gezet.

Ondine
Ik vond dat het verhaal van Ondine goed in elkaar steekt. Het verhaal was helder,
en niet saai. Ik kon me er wel in inleven. De gebeurtenissen passen goed bij elkaar,
volgen elkaar logisch op. Ik vind het zoeken naar geluk erg
duidelijk in dit verhaal, Ondine zoekt het geluk door het geloof, rijke mannen,
aanzien en geld. toch is haar leven uiteindelijk normaal en saai.

Reinaert
Dit is een fragment uit een verhaal, maar wel grappig. Hier is ook het zoeken naar
geluk aanwezig, Reinaert die Isengrinus bedondert en Isengrinus die probeert goed te zijn.

Personages
De verhalen hebben verschillende hoofdpersonen, ik zal ze per deel behandelen.

Boontje
De hoofdpersoon is de schrijver Boontje. Hij is in mijn ogen een held, omdat hij
voor zichzelf een boek schrijft en zich
niet makkelijk laat beïnvloeden door de mening van anderen. Dat vind ik knap,
want als anderen kritiek geven op je werk is het moeilijk om niet beïnvloed te raken.
Boontje wordt niet goed beschreven, je komt weinig van hem te weten. Ook
van zijn vrienden kom je weinig te weten.
Je komt wel veel meningen van iedereen te weten, maar geen motieven, gedachtes
of gevoelens.
Dit is misschien zo gedaan omdat de schrijver Boontje uit het boek dezelfde
persoon is als de echte schrijver van dit boek. Als hij Boontje gevoelens zou
hebben gegeven, of gedachtes, zouden dat die van hemzelf moeten zijn.
Ik kan het wel begrijpen als iemand zijn gevoelens en gedachtes niet
zomaar prijs wil geven.
Deze personen hebben me dus niet beinvloed.

Ondine
De hoofdpersoon is Ondine. Van haar kom je veel te weten, zowel gevoelens
als gedachtes. Je maakt haar jeugd mee, tot aan haar huwelijk, dus je weet ook
veel over haar verleden. Dat zorgt ervoor dat je je goed in haar kunt inleven, als
je je met haar kunt identificeren.
Ondine is een feeks, ze doet alles om er zelf beter van te worden, zoals stelen
van de kerk en met vreemde mannen naar bed gaan. Toch verandert ze in de loop
van het verhaal, en ze eindigt als een burgervrouwtje. Haar eerste
verschijningsvorm, een gepassioneerd kind, vond ik het leukst om te lezen, omdat
er toen het meest gebeurde. de andere Ondine, aan het eind van het verhaal, is
een stuk rustiger en minder interessant om te lezen.
Ik kan niet begrijpen dat Ondine voor meer aanzien met ‘de heren’ naar bed wil,
terwijl ze uiteindelijk toch zal worden afgedankt. Ik ben zelf niet tegen sex, ook
niet bij jongeren, als je maar echt van elkaar houdt. Bij Ondine en Achilles blijkt
dit uiteindelijk ook het geval, maar dat wist ze eerst niet. Ik vind Ondine in het
begin onvoorspelbaar, omdat ze zo gepassioneerd is. Later wordt ze
voorspelbaarder.
Ondine heeft me niet beïnvloed.
Van de andere personen, zoals Vapeur, Valeer, Achilles en Oscar kom je weinig
te weten. Je krijgt hun handelingen omschreven, maar geen gevoelens of
gedachtes.

Reinaert
Reinaert is de hoofdpersoon. Hij is geen held, maar een schoft. Hij stort
Isengrinus telkens in het verderf om er zelf beter van te worden.
Isengrinus is ook wel dom, zodat hij er wel een beetje om vraagt, maar
dan vind ik Reinaert nog steeds onaangenaam. Hij botst met de samenleving,
heeft moeite om zich aan te passen. Hij heeft wel mooie praatjes.
Deze personages zijn erg oppervlakkig weer gegeven, dus ik kan er verder
niets over zeggen.

Opbouw
Ik vond het vervelend dat de verhalen door elkaar stonden, omdat je de
hele tijd om moet schakelen van het ene verhaal naar het andere. Ik vind
dat de verhalen beter in 3 delen, elk een apart deel, hadden kunnen
worden geschreven.
Er zaten geen flashbacks in, elk verhaal chronologisch van opbouw, hoewel
ze niet parallel lopen met elkaar. Ik vond het verhaal niet erg spannend,
want ik kon me weinig in de personages inleven. Alleen Ondine was daarvoor
geschikt, maar met haar kon ik me niet zo goed identificeren. Dat doet voor
mij af aan het verhaal, ik voel me dan meer een derde persoon.
Je ziet de verhalen door de ogen van de alwetende verteller, maar je krijgt
wel het idee dat het 3 verschillende personen zijn, bij elk verhaal een andere.
Als je de gebeurtenissen zou zien door de ogen van de hoofdpersonages zou
je je meer in kunnen leven, dus dat zou ik prettiger vinden. Maar dan worden
de verhalen misschien weer moeilijker te volgen, en omdat het al 3
verschillende verhalen door elkaar zijn is dat ook niet handig.
Het verhaal over Ondine is duidelijk nog niet af, want har leven gaat nog door.
Daar blijft dus een open plek. Boontje’s verhaal is af, want zijn boek is af. Zijn
leven gaat echter wel door. Reinaert zou ook door kunnen gaan en heeft een
open einde.
Geen van de eindes is echt gesloten, omdat ze niet eindigen met een definitief
einde, zoals de dood van iemand. De verhalen gaan allen nog door.

Taalgebruik
Ik vind het taalgebruik op zich niet moeilijk. Wel was het lastig dat ik sommige
woorden niet kende, omdat het een Vlaams boek is. Ik vind de verhouding tussen
dialoog en beschrijvingen bij Boontje erg verstoord, omdat er eigenlijk alleen
maar dialoog is. Bij Ondine en Reinaert vind ik de verhoudingen best.
Ik vind het wel jammer dat er niet veel aandacht wordt besteed aan het
omschrijven van de omgeving. Je kunt daarmee namelijk erg goed sfeer
oproepen en zo je lezers meer in het verhaal trekken.
Het taalgebruik heeft me geen echt problemen opgeleverd.

Verdiepingsopdracht

Ik verwachtte een boek dat ging over een gewoon meisje dat zich een
weg naar de top zou banen. Deels klopt het boek met mijn verwachtingen,
Ondine probeert zich een weg te banen naar de top, maar ze komt er niet,
en dat verraste mij. Ook de verhalen over Reinaert en Boontje had ik niet
verwacht.
Het verhaal speelt 3 keer in het Vlaamse dorpje Ter-Muren. Er is een stad
met 2 fabrieken in de buurt, verder zijn er weilanden en is er een spoorlijn.
Zomers bloeien er bloemen. De ruimte speelt maar een kleine rol, alleen het
hoog nodige wordt omschreven. Dat vind ik jammer, maar dat heb ik al
genoemd. Er zijn geen uitgebreide omschrijvingen van de omgeving of iets
dergelijks.
Ik ben er niet uit wat het thema van dit verhaal is, het gaat over geluk,
maar verder kom ik niet. Ik zie geen duidelijk verband tussen de 3 verhalen.

Ik ga secundaire literatuur over het leven van de schrijver bestuderen en
vergelijken met het boek.

Samenvatting
Louis Paul Boon wordt in 1912 geboren. In 1923 krijgt hij een zusje Jaenneke.
Hij gaat naar de basisschool en in 1926 naar de Middelbare en Hoogere
Technische school. Hji interesseert zich echter meer in Nederlands. In 1928
wordt hij van school gestuurd en schrijft hij zich in aan de stedelijke
Academie voor Schone Kunsten. Daar bouwt hij een vriendschap op met
Karel Colson en Maurice Roggeman.
In 1928 krijgt hij een broertje Frans Herman. Zijn vader drinkt per ongeluk
terpentine en wordt arbeidsongeschikt, waardoor Louis zijn studie moet
afbreken en geld moet verdienen voor het gezin. Hij wil nog steeds schilder
wordt en afficheert zich als communist, hoewel hij bij linkse partijen maar
zijdelings is betrokken.
Zijn vader is langzaam hersteld en ze zijn verhuisd naar een beter huis waar
Louis al een boek aan het schrijven is. Louis moet in militaire dienst en sluit
vriendschap met de broer van zijn toekomstige vrouw. Hij blijft schilderen.
In 1935 verlooft Louis zich met Jeanneke de Wolf. In 1936 trouwen ze.
Eerst wonen ze in een huurkamertje, maar in 1938 verhuizen ze naar
koophuis. In 1039 wordt Boon’s zoon, Jozef Clement, geboren. Hij wordt
opgeroepen voor dienst. In 1940 wordt hij krijgsgevangen genomen en als
hij na een half jaar terug keert is hij gebroken en wordt hij depressief.
Jaenneke geeft haar winkeltje op maar het gezin houdt zich staande.
Louis krijgt in 1942 de Leo J. Krijnprijs voor De voorstad groeit en doordat
zijn beroep nu letterkundige is hoeft hij niet te werken in Duitsland.
Hij maakt in 1943 een roman af, en begint aan 2 nieuwe, oa aan Madame Odile,
het begin van ‘De Kapellekensbaan’. Hij schildert bijna niet meer. Ook is hij
al een tijd met een 3e boek bezig. Hij publiceert in 1944 verschillende (delen van)
boeken. Hij sluit zich aan bij De Roode Vaan, een communistisch blad. Hij
publiceert delen van ‘De Kapellekensbaan” in het blad onder de naam
“Wereld-van-vandaag”.
Hij wordt ontslagen bij De Roode Vaan en gaat werken bij een weekblad.
In 1946 en 1947 wordt er een boek van hem gedrukt. In 1947 gaat hij
naar Engeland. Hij neemt ontslag bij zijn weekblad. Hij blijft in verschillende
bladen publiceren, maar dat levert weinig op, net als zijn publicaties. Hij
moet zelfs weer gevels gaan schilderen. Hij overlegt met zijn vrienden over
De Kapellekensbaan en publiceert er delen uit.
In 1949 sterft zijn zuster, Jeanneke. Zijn vrouw erft een kleine som, en Boon
publiceerd steeds meer en daarom kunnen ze, samen met een 3e persoon,
een stuk land dat in 2en word gedeeld. Boon bouwt er nog niet op. Hij begint
aan het 2e deel van zijn boek, Zomer te Ter-Muren. De Arbeiderspers, een
uitgeverij, durft De Kapellekensbaan uit te geven, en laat het boek in 1950
drukken. Dan verliest hij een belangrijke afnemer, Front, waardoor de
financiële situatie nijpender wordt, hij gaat boekhouden bij zijn ouders,
voor 3 maanden. Hij moet namelijk de kosten van de bouw van zijn nieuwe
huis betalen.
Dan worden er hoorspellen van Boon uitgezonden en wordt hij redactiesecretaris
van Podium en Tijd en mens. Ondertussen is het huis Huize Isengrimus af en trekt
Louis daar met zijn gezin in.
In 1953 wordt De Kapellekenbaan uitgegeven. Er worden meer stukken van hem
gepubliceerd. Er komen veel reacties op De Kapellekensbaan. In 1954 overlijdt
zijn moeder.
In 1955 begint zijn zoon Jo aan een opleiding tot fotograaf. In 1956 wordt het
tweede boek over de Kapellekensbaan gepubliceerd, Zomer te Ter-Muren. Hij
blijft publiceren, zowel boeken als in tijdschriften. Ook makt hij een aantal
olieverfschilderijen. Hij treet weer toe tot Podium. In 1961 start hij bij de radio
met een wekelijks praatje ‘Het zoutvat’.
In 1962 treed hij toe tot de tv-quiz “t is maar een woord’, waardoor hij in
Vlaanderen populair wordt. In 1965 trouwt Jo met Lucienne Muylaerd en
zij wonen een half jaar bij Louis. Het boek dat hij het jaar daarvoor uitbracht
kreeg slechtte kritieken. In 1966 ontvangt hij de Constantijn-Huygensprijs.
Hij neemt een rol in een korte film, De Bom, aan.
In 1968 sterft zijn vader en in 1969 wordt Boons kleinzoon geboren, David
Andreas. Dan neemt Louis afscheid van het schrijven en schrijft zich in aan
de Gentse Kunstacademie om schilderlessen te gaan volgen. In 1970 stopt hij
echter alweer met die opleiding. Er worden een aantal tentoonstellingen van zijn
werk gegeven. Hij ontvangt 5 prijzen voor een documentaire roman, genaamt
‘Pieter Daens of hoe in de 19e eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen
armoede en onrecht ‘.
In 1972 gaat Louis met vervroegd pensioen bij Vooruit. Hij is echter populairder
dan ooit, en hij wordt 60. Er wordt een begin gemaakt met het vertalen van zijn
boeken naar oa Engels, Spaans, Frans en Duits.
Boon blijft schrijven. In 1976 overlijdt zijn broer Frans. Hierdoor raakt Louis
in een depressie en drinkt hij veel. Ook heeft hij zelfmoordpogingen. Hij begint
in 1978 driftig te schilderen.Hij heeft dan zijn Laatste Boek geschreven, wat pas
gepubliceerd mag worden na zijn dood. Toch blijft hij schrijven. Op 10 Mei 1979
overlijd Louis Paul Boon.
Er wordt nog steeds tentoongesteld van Boons werken, en hij wilt nog een keer
bijna een prijs in 1993, met Daens.

Het is duidelijk dat de schrijver gebeurtenissen uit zijn eigen leven heeft gebruikt
in zijn boek. Hij heet zelf Louis Paul Boon, in het boek is dat Boontje, en hij heeft
een vriend Karel Colson, die je in het boek terug vind als mossieu Colson van
‘tminesterie. Verder is een deel van zijn leven, namelijk zijn schilderwerk en zijn
schrijfwerk voor de dagbladen, terug te vinden in de persoon Johan Janssens.
Ook gebeurtenissen uit zijn leven zijn terug te vinden.
Zo is zijn zus Jeanneke overleden, en in het boek overlijdt de zus Jeanneke van Boontje.
Ook het feit dat hij op een gegeven moment niet genoeg geld verdiende met artikelen
schrijven en daarom (weer) gevels moest gaan schilderen komt terug in het boek
door de belevenissen van Johan Janssens die hetzelfde overkomt. Ook de
interesses van verschillende personen in het communisme in het leven van de
schrijver en in het boek is een overeenkomst. Dat zie je terug in de betrokkenheid
van Boontje en LP Boon bij de kleine man, de ‘Jan met de pet’ die vaak van alles
de dupe is. Ook is dit aspect in zijn andere boeken te vinden.
De overeenkomsten zijn alleen te vinden in het stuk over Boontje, niet in de stukken
over Reinaert of Ondine. De relatie tussen zijn leven en het boek is dus dat een
deel van het boek is gebaseerd op delen uit zijn leven.

Bronnen

http://www.booncentrum.be/levenwerk/leven.html

Evaluatie
Ik vind het een warrig boek, het onderwerp is niet duidelijk. Het verband tussen
de drie verhalen is niet duidelijk opgebouwd. De enige overeenkomsten zijn het
communisme en het zoeken naar geluk. Niet echt iets concreets. Dat is niet storend
voor het volgen van de 3 verschillende verhalen, maar ik heb wel het idee dat ik
iets mis als het gaat over het begrijpen van het boek. Ook voor het maken van een
boekverslag is het lastig.
Mijn oordeel is niet echt veranderd, alleen het gedeelte over Boontje is me duidelijker
geworden. Ik had niet verwacht dat meerdere personen de belevenissen van de
schrijver zouden weergeven. Het is wel grappig dat er zoveel overeenkomsten zijn,
en de schrijver eigenlijk best wel open is over zijn leven. Mijn mening over het complete
boek is echter niet veranderd.
Ik ben tevreden over de verdiepingsopdracht, omdat ik denk dat ik het boek iets beter
begrijp na deze opdracht. Over de beschrijvingsopdracht ben ik ook wel tevreden, behalve
over het onderdeel ‘onderwerp’, omdat ik daar geen goed antwoord op heb kunnen geven.
Ik vond het boek om te lezen niet makkelijk, maar ook niet lastig. Het taalgebruik is goed,
en makkelijk te volgen, alleen het feit dat er 3 verhalen na elkaar worden vertelt maakt
het lezen toch weer lastiger. Het verband tussen de 3 verhalen vond ik onduidelijk.
De verdiepingsopdracht viel wel mee, mede omdat ik al eerder een website had gevonden
(en opgeslagen) met informatie over het leven van de schrijver. Ik was dus weinig tijd kwijt
met het zoeken naar informatie. Het lijkt me bij sommige schrijvers een stuk moeilijker om

informatie over hem of haar te vinden, helemaal als het om litteratuuropvatting of mens-
en wereldbeeld gaat. De vragen vond ik ook niet echt moeilijk, alleen het samenvatten
kostte me redelijk wat tijd, en vond ik vervelend.
Ik miste de kennis over wat de verhaallaag van het boek is, en wat de betekenislaag/

thematischelaag van het boek is. Daarom heb ik die vraag van de verdiepingsopdracht
ook niet kunnen beantwoorden. Ik vraag me af wat die termen betekenen.
De volgende keer zorg ik dat ik, voor dat ik een verslag maak, het boek snap en het
onderwerp weet. Hoewel ik deze keer aan een tijdslimiet was gebonden, omdat het boek
terug moest naar de bibliotheek, had ik er wel voor kunnen zorgen dat ik het wist, helaas
is dat niet gelukt.
—————————————————————————————————————————–
3] vwo verslag Mijn kleine oorlog.

1 Praktische gegevens

1.1 Titel: Mijn kleine oorlog.
Auteur: Louis Paul Boon

1.2 Jaar van Uitgave: 1974
1.3
1.4 Aantal bladzijden: 140

1.5 Datum boekverslag: 08-12-2001

2 Inhoud en opbouw

2.1 Het is een kritische oorlogsroman.

2.2 Het boek begint met een soort motivatie van de verteller voor de reden van
het schrijver en de gekozen vorm voor het boek. Dit wordt gevolgd door fragmentjes
waarin Louis Boon als gewone soldaat de (zinloze) strijd bij het Albertkanaal meemaakt,
gevangen genomen wordt en naar een krijgsgevangenenkamp wordt gebracht. De
omstandigheden aldaar zijn zeer slecht, waardoor een medegevangene zijn verstand verliest.
Hierna wordt een sprong in de tijd gemaakt naar een paar jaar later, tijdens de
bombardementen op België. In korte, schijnbaar losstaande verhaaltjes wordt een
beeld geschetst van de ‘kleine man’ gedurende de oorlog. Er waren mensen die
profiteerden van de oorlog, die de Duitsers trouw bijstonden. Ook stal men van de
Duitsers, maar ook van elkaar als het zo uitkwam. Zo deden bijvoorbeeld de kolendieven,
maar ook de bakker besteelt zijn klant. Hij hanteert woekerprijzen voor brood van slechte
kwaliteit, om zichzelf te verrijken.
Als de bevrijding nabij is steekt het actieve verzet meer de kop op, maar dit blijkt uit het
verhaal weinig voor te stellen. De bevrijding is ook al niet zo’n geweldige gebeurtenissen.
Nu de buitenlandse vijand is verdreven komen de oude gewone ergerlijke trekjes van
mens weer naar voren, zonder dat men de Duitsers de schuld kan geven. Het boek
(eerste druk) eindigt met een soort nawoord, waarin Boon opeens als schrijver weer
de pen opneemt. Hij bekritiseerd hierin de houding van de mens, en doet een beroep
(op, tja op wie? Op schrijvers, zoals hijzelf?!): ‘Schop de mensen tot zij een geweten
krijgen.’ Vanaf de tweede druk zijn er nog twee hoofdstukken toegevoegd. Hierin
beschrijft hij zijn oude dienstmeisje, waar hij stapelverliefd op was. Zij maakte hier
tijdens de oorlog dankbaar gebruik van, maar als hij haar na de bevrijding nog eens
treft gunt zij hem niet eens een groet. Een andere dorpsgenoot herinnerd zich hem
niet eens meer. In het laatste hoofdstuk beschrijft hij een vrouw die alles heeft
gedaan om hoger op de sociale ladder te komen, maar aan het eind van haar leven
op straat ineen zakt zonder iets te hebben bereikt. Dan verzucht zij: ‘Wat heeft het
alles voor zin?’ Dit is het tweede einde van het boek, een stuk negatiever dan het
eerste. Het is duidelijk dat de schrijver in zijn leven heeft ervaren dat zijn eerste roep
niet gehoord werd. Hierdoor is hij veel pessimistischer gestemd geraakt.

2.3a Het verhaaltjes spelen zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Belgen;
van herfst 1939 tot omstreeks 1 mei 1945 (terugkeer van verzetslieden uit concentratiekampen).
2.3b Van herfst 1939 tot mei 1945 is zo’n vijf en een half jaar. Dat is de verhaaltijd.
De lees- of verhaaltijd is ongeveer 3,5 à 4 uur.
2.3c Ik heb geen echte vertragingen of versnellingen kunnen ontdekken in het boek.
Het is een droge opsomming en beschrijving van verschillende gebeurtenissen,
waarin niet met de tijd gespeeld wordt.
2.3d In de laatste twee hoofdstukjes komen twee verschillende flashbacks voor. Het laatste
staat op de pagina’s 138-140. Hierin verteld hij over een vrouw die hij heeft gekend, een
echte feeks. Ze was arm maar probeerde hogerop te komen. Uiteindelijk heeft het leven
haar niets gebracht, ze sterft nog armer dan ze geboren is. Deze flashback gebruikt de
schrijver om via die mevrouw Ondine zijn laatste moraal aan het verhaal toe te voegen:
“Wat heeft het alles voor zin?”

2.4a De verhaaltjes spelen zich af bij het Albertkanaal gedurende de mobilisatie, aan de
spoorlijn vlak bij Kortrijk tijdens een bombardement, in het kamp van Fallingbostel, in
Brussel en Leuven voor meneer ‘de oude ekster’ (ook tijdens en bombardement) en
in Florennes (Fr) voor de vluchteling Van den Borre.
2.4b De volksbuurt neemt hier in zekere zin de plaats van een belangenruimte in. In
deze omgeving leven de gewone, doorsnee mensen, van wie de ‘kleine oorlog’ heel
goed beschreven kan worden.

2.5a Voordat ik met de beschrijving van de hoofdpersoon begin, zal mijn keuze moeten
motiveren. In het boek is niet echt sprake van één hoofdpersoon, omdat er verschillende
verhaaltjes worden verteld over verschillende personen. De enige die dicht in de buurt
komt is de verteller zelf, die becommentarieert. Deze is soms de hoofdfiguur, ook wel
bijfiguur, maar grotendeels toeschouwer. Toch is hij de rode lijn die de verhaaltjes verbind
tot een geheel, daarom heb ik hem gekozen als hoofdpersonage.
Louis Boon
De verteller neemt hier verschillende ‘karakters’ aan. Zo richt hij zich in het eerste hoofdstuk
vrij direct tot de lezer, waarin hij zijn motivatie om het boek te schrijven geeft. Hier is hij
duidelijk de schrijver, die verontwaardigd is over de gewetenloosheid van de mens en hier
iets aan wil doen. Daarna ‘speelt’ hij een gewone Belgische (misschien wel de gemiddelde)
soldaat. Deze soldaat is helemaal niet zo dapper of goed, het is ook maar een bang mens
eigenlijk. In Rode nacht bijvoorbeeld is hij de gewone kleine man, die niet uitblinkt in slimheid
of dapperheid. Eigenlijk (zo is de boodschap) is de mens gewetenloos en onbenullig. “…,
want ze denken nooit na, ze aanvaarden alles wat ze krijgen kunnen,…”(blz. 128)
Later neemt de schrijver de pen weer rechtstreeks op, om een roep te laten horen:
‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’. Weer een voorbeeld van zijn
verontwaardiging, maar ook positieve kijk op dingen. In de later toegevoegde
hoofdstukjes heeft hij dit optimisme duidelijk verloren, wat blijkt uit de laatste moraal:
“Wat heeft het alles voor zin?”

2.5b Louis Dinges (soldaat van de goudvissen) was een makker van Louis tijdens de
mobilisatie. Dinges hecht veel aan orde, zoals veel mensen in de oorlog vast
probeerden te houden aan oude principes.
Voncke was één van de medegevangen in het kamp te Fallingbostel. Hij is niet meer
helemaal bij zijn verstand, en Louis heeft medelijden met hem.
Staf Spies is een man die duidelijk uit de armste volksbuurt komt. Tijdens alarm
schuilde hij geregeld met zijn gezin in Louis kelder.
De Ekster is een dorpsgenoot van Louis. Hij is een ruwe vent, die elke keer als hij
geld bezit dit onmiddellijk weer uitgeeft aan gokken en de hoeren. Hij wordt door
Louis ook wel de Rat genoemd.
Van den Borre is een andere dorpsgenoot van Louis. Hij is nogal lui, en zijn
levensmotto’s zijn dan ook zo ongeveer ‘Pluk de dag’ en ‘Geen zorgen voor de
dag van morgen’. Tijdens de oorlogsdagen gaat hij in Frankrijk werken, omdat daar
niet gebombardeerd werd. Op een dag wordt daar echter wel gebombardeerd, en
vind hij alsnog de dood.
Kolendieven 42
Vieze is de ‘bedelman’ van het dorp, omdat hij geen zin heeft om te werken. Louis

zoontje is half bevriend met het zoontje van Vieze, daarom treffen de vaders elkaar
ook zo af en toe.
Antoon is elektricien, en tevens de zwager van Louis. De families wonen zo ongeveer
bij elkaar in, en vluchten samen de kelder in als er alarm is.
Jean uit Tervueren was een andere makker uit de tijd van de mobilisatie. Louis wil hem
nog een keer opzoeken, maar dat komt er steeds niet van.
Flor is een (joodse) jongen die in de Eerste Oorlog gevlucht is naar Frankrijk, zijn broer
is kwijtgeraakt, zijn tante niet gevonden heeft, in dienst moet, broer en tante terugvind,
daar weer weggaat en uiteindelijk in het dorpje bij Louis beland.
Gaston is een man die in de oorlog in het Duitse gevang heeft gezeten, maar dapper
zijn mond heeft gehouden onder alle folteringen. Uiteindelijk is hij ontsnapt aan de
Duitsers en teruggekeerd in het dorpje van Louis.
En zo zijn nog veel meer personen, die allen een rol hebben in het dorpje.
Zij symboliseren in wezen de kleine mens in al zijn verschijningsvormen.

2.6 Het verhaal wordt verteld vanuit de ik-vorm, vaak ook auctoriaal. De ikfiguur is soms
hoofd-, soms bijfiguur, meestal toeschouwer. Soms de verteller, vaak ook gewoon de
kortzichtige kleine man.

2.7a Het boek begint met een inleiding van Willem Elsschot. Het verloop bestaat uit rond
de dertig korte fragmentjes of verhaaltjes. Elk verhaaltje wordt afgesloten met een
gedeelte schijngedrukt, dit is een soort aanvulling en uitleg bij het verhaaltje. Het einde
van de eerste druk is een soort moraal, die positieve perspectieven biedt. Bij de tweede
druk heeft de schrijver nog twee verhaaltjes toegevoegd, waarvan de laatste wederom
eindigt met een soort moraal. Dit is echter een zeer pessimistische boodschap, wat duidelijk
maakt dat de schrijver in zijn leven heeft bemerkt dat zijn eerste moraal niet opging. Dit heeft
hem duidelijk verbitterd.
2.7.b De opening van het boek is informatief. De schrijver/ verteller zet heel duidelijk
uiteen waarom hij het boek heeft geschreven, en wat hem ertoe dreef voor deze vorm
te kiezen.
2.7c Het einde is gesloten. Er wordt een conclusie getrokken die verder nadenken onnodig
maakt. Het is duidelijk; niets heeft nog zin! Waarom zou er dan nog over gediscussieerd
worden? Alle hoop is gewoon verloren, er is geen redding meer voor de mensheid.

3 Motieven en Thema

3.1
- Goudvissen
De schrijver maakt met het motief goudvis duidelijk dat de mens onder alle omstandigheden
vast wil houden aan orde, en normen en waarden. Zelfs tijdens de grote chaos van het
terugtrekkende Belgische leger, wil de soldaat het gepasseerde huis netjes achterlaten.

- Gewetenloosheid
De schrijver maakt heel duidelijk dat hij geen hoge pet op heeft van het geweten van de mens.
Zo wordt bijvoorbeeld de bakker beschreven, die zichzelf verrijkt door de broodrantsoenen
zelf te behouden en de klant rotzooi mee te geven tegen woekerprijzen. Als eerste moraal
van het verhaal wordt dan ook genoemd; ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’

3.2 De mens is gewetenloos, en heeft de drang om vast te houden aan waarden en principes
tijdens de onoverkomelijke chaos van het leven.

3.3 De titel verwijst naar de oorlog voor de gewone kleine man. Boon schrijft het boek uit het
ervaringswereld van de kleine man, vandaar de Kleine Oorlog. Het is zijn persoonlijke
beschrijving van de kleine oorlog, maar eigenlijk iedereen heeft een kleine oorlog in zich.
Daarom kan de titel eigenlijk ook uw kleine oorlog luiden, of iets daaromtrent.

4 Persoonlijke mening

4.1 Ik vond het verhaaltje van de goudvissen het ontroerendst. Daarin wordt op heel
vertederende wijze de hang van mensen naar orde en regelmaat blootgelegd. Zelf in
het grootste gevaar probeert de mens nog aan deze standaarden vast te houden. En
misschien is dit ook maar goed ook! Dit houdt het geweten in zekere zin nog intact, door
het behoud van normen en waarden. Zonder deze standaarden zou onze
massa-maatschappij geen kans meer hebben.

4.2 Het Thema van ‘De donkere kamer van Damokles’ komt wel in de richting van het
thema van dit boek. In beide boeken speelt de chaos waaraan de mens is overgeleverd
een grote rol, en ook de houding van de gewone man tijdens de oorlog. Die is niet zo
dapper, hoewel dit in ‘Mijn kleine oorlog’ meer benadrukt wordt.

4.3 Het onderwerp van het boek, of eigenlijk de thematiek van de chaos en gewetenloosheid
van de mens sprak mij wel aan. Ik heb hiervoor ‘De donkere kamer van Damokles’ gelezen,
dat een soortgelijk onderwerp had. Daarom was het wel leuk om nu eens een ander soort
benadering te zien. Zo werd mijn mening over het onderwerp telkens bijgeschaafd, en
openden zich steeds nieuwe gezichtspunten. Het boek heeft mijn opvatting bevestigd
dat de mens van nature onverschillig en egoïstisch is. Het eigen welzijn wordt het belangrijkst
geacht, en de ander heeft pech gehad, zo’n idee. Ook is de mens helemaal niet zo dapper,
zelfs als hij gevoel voor rechtvaardigheid heeft.

Ik vond dat het onderwerp ook in dit boekje leuk behandeld werd. Er worden kleine stukjes
uit het leven van gewone mensen verteld, waarmee de schrijver een soort reële sfeer
opbouwt. Uit elk verhaaltje blijkt in zekere mate de chaos en/ of de gewetenloosheid
van mensen. Hierdoor wordt de mening van de schrijver je in eerste instantie niet
opgedrongen, terwijl je stiekem wel in die richting wordt geduwd. Iedereen ervaart
wel een van de vele verschillende situaties als waar, waarmee de schrijver veel mensen
aan het nadenken krijgt. Het onderwerp wordt dus heel diepgaand uitgewerkt, zonder
dat je dat als lezer je bewust bent. Erg knap gedaan!

De gebeurtenissen van mensen zijn in het verhaal belangrijker dan de gevoelens. Dit is
het geval, omdat juist de gebeurtenissen spreken van de chaos en de gewetenloosheid.
De gevoelens van de verteller worden wel uitgewerkt in de inleiding en slotscène van de
eerste druk. Hij laat hier zien dat alle aparte hoofdstukjes eigenlijk om hetzelfde draaien,
en geeft kritiek op deze houding van de mens. Hij spoort zichzelf? aan om de mensen de
‘schoppen’ tot ze een geweten krijgen. Vanaf de tweede druk is ook de laatste zin van de
nieuw toegevoegde hoofdstukjes een belangrijke moraal. Hieruit blijkt duidelijk dat de
schrijver de moed opgegeven heeft, en de strijd niet meer voortzet.

De gebeurtenissen zijn over het algemeen op het eerste gezicht niet erg spannend ofzo,
ze worden vrij droog verteld. Toch bezit elk verhaaltje een moraal, die soms erg ontroerend is.
Zo is er bijvoorbeeld de goudvissenkom-scène; een soldaat op de vlucht stoot in een huis een
goudvissenkom om, en neemt zich de tijd om dit te herstellen voor de bewoners, terwijl hij zich
in een gevaarlijke positie beving. Dit fragment vond ik zo ontroerend, omdat het zo duidelijk
maakt hoezeer de mens hecht aan waarden en normen. De gebeurtenissen komen vrij
geloofwaardig over, alleen het goudvissenkom fragment lijkt iets minder waarschijnlijk.
Leuk vind ik dat de schrijver dit meteen erna al aangeeft, hij zegt gewoon letterlijk dat
hij het verzonnen heeft. Hierdoor krijgen de andere verhaaltjes een geloofwaardiger
karakter, omdat hij dat daar niet noemt.

Schokkend vond ik het verhaaltje over Gaston en de rubberen lap. Echt verschrikkelijk hoe

mensen gemarteld werden! En het ergste vind ik nog dat dit vandaag de dag nog gebeurd,
niet hier, maar op veel plaatsten nog wel. Ik krijg gewoon kippenvel als ik eraan denk hoe
bruut de mens kan handelen. Ook het gedrag van de bakker vind ik ‘niet helemaal als het
hoort’, zoals dat heet. Ik vind het gewoon belachelijk dat iemand bewust profiteert van
het leed van anderen. Het eerste einde vind ik daarom ook erg treffend, waarin Boon
de mens eigenlijk belachelijk maakt en hem aanklaagt. Het tweede einde spreekt mij minder
aan, omdat ikzelf het liefst nog positief ben. Misschien zal het leven mij ook verbitteren zoals
duidelijk bij de schrijver het geval is geweest, maar ik wil nu nog een betere wereld bereiken.
Daarvoor ben ik tenslotte nog jong, en vol idealen….

Enkele personages in het boek waren voor mij heel herkenbaar als bepaalde type mensen die
ook in mijn eigen leefwereld ‘bestaan’. Ikzelf kon me vrij goed identificeren met de (jonge)
schrijver. Het boek was voor mij wel weer even een opfrissertje; het voorbeeld van de
schrijver zal ik nooit kunnen volgen (ik ben niet zo’n briljant schrijver!, maar ik kan de mensen
natuurlijk altijd proberen te ‘schoppen’. Te beginnen bij mijzelf!

Ik vond de opbouw van het boek vrij moeilijk, het heeft mij best wel wat moeite gekost om er
structuur te ontdekken. Daardoor was de leestijd van dit boekje voor mij ook relatief lang.
De opbouw van losse fragmentjes maakte het lastig te volgen, en ook de wisselingen van
het vertelperspectief. Nu eens was Boon hoofdpersoon ik-vorm, dan weer toeschouwer
(dan wel auctoriale verteller) en ga zo maar door. Alle stukjes apart waren echter prima
te lezen, en ook wel boeiend. Echt spannend vond ik scènes niet, maar de aflopen (zowel de
eerste als de tweede) vind ik wel intrigerend.

De taalgebruik was wat verwarrend, omdat er soms wat Vlaamse uitdrukkingen werden
gebruikt. De woordkeuze was echter over het algemeen vrij simpel. De zinnen waren
soms aan de lange kant, aangezien Boon er ‘lustig op los praatte’. Voor mij leverde
dit totaal geen problemen op, het las er niet moeilijker door. De gebeurtenissen worden
prima helder beschreven, over het algemeen vrij gedetailleerd. Ik kon me er dan ook goed
een voorstelling bij maken. Er komen geen dialogen in het boek voor, alles wordt vanuit de
schrijver beschreven. De schrijver ‘praat’ in sommige gevallen wel tegen zichzelf of tegen
de lezer, maar hier ontbreekt de tweede persoon die antwoord geeft. Ik denk niet dat dialogen
iets toegevoegd zouden hebben aan het verhaal, de schijngedrukte fragmenten aan het einde
van elk verhaaltje nemen een soortgelijke positie in; zij geven het verhaal een extra dimensie.
Fragmenten die ik echt zal onthouden zijn natuurlijk Boon’s moralen; ‘Schop de mensen tot zij
een geweten krijgen’ en ‘Wat heeft het alles voor zin?’. Deze fragmenten zijn complete
levensfilosofieën, compact beschreven in één treffende zin! Vooral de eerste sprak mij zeer
aan, alweer omdat deze het beste bij mijn eigen beleving past, natuurlijk…

Tja, wat vond ik nou eigenlijk van het boek?! Ik vond het een goed onderwerp, origineel
verwerkt en herkenbaar. Maar ook vond ik de structuur niet die van een roman, dat soms
wat verwarrend was. Ik denk dat het eerste toch zwaarder weegt. Maar dan zal ik het geen
goed boek noemen, maar wel vertellen dat ik ontzettend blij ben dat ik het gelezen heb. En
dat ben ik ook echt! En ik denk dat het voor meer mensen goed zou zijn om het gelezen te
hebben…

————————————————————————————————————-

4] Vergeten straat.

Deze tekst is gebaseerd op / ontleend aan hoofdstuk 3 uit “Het vergeefse van de droom”
van Jos Muyres. Het boek is in 1999 uitgegeven bij Uitgeverij SUN, Nijmegen.
© Uitgeverij SUN, Nijmegen 1999.
Voor meer bibliografische informatie en hoe het boek aan te schaffen: klik op de afbeelding
van het boekomslag

In Vergeten straat, Boons derde roman, raakt een straat door de aanleg van een spoorweg
(de Noord-Zuid-verbinding) afgesloten van de buitenwereld. De bewoners grijpen deze
vergissing aan om een vrije gemeenschap te stichten, maar die poging mislukt radicaal.
Eigenlijk komt ze niet eens echt van de grond. Dat is vanaf het begin duidelijk. De overtuiging
dat een vrije gemeenschap niet te realiseren is, klinkt overal door. Het mislukken van de
droom met de straat is hier – hoe kan het anders – opnieuw te wijten aan de mens en aan
het noodlot.

Boon heeft in dit boek hetzelfde procédé als in zijn eerste roman gebruikt. Opnieuw staat
een groep personages centraal: de bewoners van één straat. In tegenstelling tot Boons
eerste twee boeken kent Vergeten straat geen indeling in hoofdstukken. Het verhaal bestaat
uit een groot aantal -vaak door witregels van elkaar gescheiden- scènes. De presentatie
van het gebeuren heeft daardoor een sterk filmisch karakter.

Boon heeft hier gekozen voor een grotendeels lineair en chronologisch verteld verhaal. Er
worden wel sprongen in de tijd gemaakt, maar van flashbacks is geen sprake. Een heel
enkele keer wordt door een van de personages naar het verleden verwezen of over het
verleden verteld. Het tijdsverloop in De voorstad groeit is traditioneel en wat dit betreft
onderscheidt de roman zich niet van de indertijd gangbare literatuur.

Uniek is het decor waarin zowel De voorstad groeit als Vergeten straat spelen: in de stad,
in het allerlaagste maatschappelijke milieu. Een milieu waarin armoede en soberheid troef
zijn, een milieu waarin nauwelijks arbeiders voor komen. Opvallend veel personages werken
niet. Hoe ze aan de kost komen is onduidelijk. Het is het milieu van randfiguren en
verschopelingen op de allerlaagste trede van de maatschappelijke ladder.

Ook Vergeten straat is een uiterst pessimistisch boek.


By on 04:41
L.P. Boon onspoort als filmcriticus [deel 4]

Boon over Chaplin

Louis Paul Boon (1912 – 1979) beleefde zijn eerste bioscoopervaring, toen hij zes jaar was. Vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog zag hij een man neerschieten door een Duitse soldaat. “Ik ben toen zelf meegestorven,” schrijft hij later in het ‘Boontje’ “Piekerend jongetje” (Vooruit, 15/16 september 1973). En verder in hetzelfde cursiefje:

Om me te troosten nam vader me mee naar de bioskoop. Het was nog steeds oorlog. Het werd in de cinemazaal plots donker om ons heen, ik gilde van angst, ik dacht aan de man die neergeschoten was. Niet bang zijn, zei vader, het is om mee te lachen, het is Max Linder. Ik hoorde in het duister de lach van rij tot rij springen. (…) Ik denk nu terug aan Max Linder. Droeg hij geen hoge hoed?

Inderdaad, Max Linder (1883 – 1925), de grote Franse komiek, zowel scenarioschrijver, regisseur als acteur van honderden korte stille films, droeg een hoge hoed. Charlie Chaplin (1889 – 1977) erkende hem als zijn leermeester.

Iets later gaat de zeer jonge Boon naar de zondagmiddagvoorstellingen met ‘Jules van tante Angèle’ – “Jules heeft mijn centjes nagekeken” (1) – en leeft er mee met de “nooit eindigende films van Stalen Arm en Buffalo Bill” (‘Roken’, Vooruit, 13 februari 1974). Neef Jules was zes jaar ouder dan Louis.

Rond de leeftijd van negen jaar verkiest Boon niet langer met Jules maar ‘met nicht Elsje’ naar “de cinema” te gaan. Zijn één jaar oudere nichtje, de zus van Jules, is in werkelijkheid Maria Aerts ( 1911- 1971), de dochter van Polydoor Aerts en Angelica Boon. Daarover vertelt hij later in ‘Met nicht Elsje’ (Vooruit, 24 november 1959):

Ik herinner me nog iets als een kermis met in de avond een volksbal en een filmvoorstelling in open lucht. Het pleintje stond zwart van het volk, het witte doek hield ginder hoog de avondwolken in hun tocht tegen.

Alleen het begin van de film weet ik nog: ‘Charlot werd door de duitsers aangehouden’. Het echt komische bestond erin dat de film bij vergissing achterste voor werd afgerold. Duitse soldaten hielden Charlot krampachtig vast, lieten hem los om woest achterwaarts de trap af te rennen en Charlot zeer angstig en eveneens achterwaarts, hen te laten nakomen.

Alles gebeurde achterste voor, om ons heen was een zee van gierlachen. We zaten samen op het lage muurtje, met in onze rug de ijzeren versiering van een hek. Ik reikte mij in het duister naar het gezichtje van nicht Elsje, om ook haar lach te zien bloeien. Ze keek me aan, haar ogen waren zeer groot met lichtflitsen van het witte doek erin.

De Chaplinfilm waarnaar Boon verwijst, is Shoulder Arms (1918), een verhaal over Charlot als Amerikaans soldaat aan het Franse front, die in een droom achter de Duitse linies verzeild geraakt.

Het bijna mythische ‘nicht Elsje’, Boons grote jeugdliefde, Maria Aerts dus, voor wie Louis steeds als loopjongen fungeerde, zou later met de douanebeambte Arthur Vidts trouwen en zich in Brussel vestigen.

Boon zou haar nooit vergeten, ze komt in heel zijn werk voor.(2)

Chaplins debuut als acteur en filmmaker dateert van 1914. In dit jaar realiseerde hij niet minder dan 35 “one- and two reel films” (reel betekent een ouderwets filmspoel dat min of meer tien minuten speelduur had). Daarmee leerde Chaplin het vak. In 1915 bracht hij The Tramp (De landloper / vagebond) uit, zijn eerste meesterwerk. Chaplins films werden in den beginne niet alleen in bioscopen vertoond maar als kermisattractie in open lucht.

Vooral de latere, lange speelfilms moeten op L.P. Boon een enorme indruk gemaakt hebben. Naar geen cineast heeft hij in zijn vroege werk zo vaak verwezen.(3) Op het ogenblik dat Boon als journalist bij De roode vaan in dienst treedt, nl. in 1945, is Chaplin echter over zijn hoogtepunt als filmmaker heen.

In De roode vaan, 22 oktober 1945, noteert hij onder de titel “Chaplin”:

Men speelt nu in de hoofdstad De Diktator ( The Great Dictator, 1940, WdP). We zullen nog een beetje wachten om hem te gaan zien, het zijn nog geen prijzen voor ons, veertig en vijftig frank. In afwachting kan het geen kwaad eens te overdenken wat Chaplin voor ons geweest heeft. Zelf lang in de grootste armoede geleefd hebbend, weet hij wat honger is. En het is goed dat een kunstenaar weet wat dat beteekent, dan zal zijn werk niet ijdel gezwets worden – wat niet zeggen wil dat hij honger moet blijven hebben, want dan gaat hij, en zijn werk, er aan te gronde – maar in een van zijn filmen komt een beeld, waar charlot den koek van een kind opknabbelt, en ondertusshenen lief is en ‘dada dada’ zegt, om geen argwaan op te wekken.

Toch kan hij het niet laten over vroegere Chaplinfilms te schrijven:

Als ik mij goed herinner heb ik slechts eenmaal moeten lachen in ‘De jacht naar het Goud’ (The Goldrush, 1925, WdP) , het moment dat de berghut gevaarlijk over den rand van den afgrond hangt, en de dikke man de hik krijgt. Al het andere was zoo aangrijpend, zoo adembenemend van schoonheid, van liefde voor de menschen, van diepe menschenkennis, dat men vergeet te lachen. En niet alleen zijn dekors zijn tot hun grootsten eenvoud herleid, ook zijn personages zijn het . De dikke dreigende agent, de schele boef, de zenuwachtige handelaar in het-een-of-ander, plus de menigte, plus…Charlot. En Charlot, dat zijt gij en dat ben ik, het kleine mannetje dat door noodlot vervolgd wordt, en in de meest menschelijke… en NIET meest onzinnige… situaties verstrikt raakt. En heel alleen zijn plan moet trekken.

‘De Jacht naar het Goud’ was een waarschuwing. ‘Groot-Stadlichten’ ( City Lights, 1931, WdP)) een schrijnend beeld van de grootstad. ‘Het Circus’ (The Circus, 1928, WdP) een zelf-analyse. ‘Moderne Tijden’ (Modern Times, 1936, WdP) een aanklacht. Wat zal ‘De Diktator’ zijn ? Een waarschuwing tegen het nazisme misschien, waarschuwing die wat te laat komt, maar vergeten we het niet dat de film reeds van vóór den oorlog dateert.

Het commentaar van Boon op The great Dictator verschijnt ten slotte op 10/11 november 1945 in De roode vaan onder de titel Chaplin en Hitler. Daarin stelt hij de uiterlijke gelijkenissen ( “het mannetje met de kleine snor”) tegenover de tegengestelde ideeën die Charlot in zijn dubbelrol van de dictator Hynkel en de joodse barbier vertolkt. Vooral de slottoespraak van de als Hynkel vermomde kapper- vreemd genoeg de minst filmische scène – raakte Boon:

Hij verwittigt ons tegen deze misleiders, deze abnormalen die niet de liefde en het menschelijke kennen. Men heeft ons machines gebracht, zegt hij, overproduktie, krisis. Wij zijn zelf machines geworden. We laten ons in gang zetten. Hij spreekt van vrijheid en rechtvaardigheid, het afschaffen der grenzen. Hij vraagt vooral dat wij “menschen” zullen gaan worden. En dan juicht de duizendkoppige menigte toe. Zij juicht, maar wij weten niet of het een “heil” geschreeuw is, dan wel het uiteindelijke antwoord op dien wekroep naar gezond verstand en menschelijkheid.

In de rubriek De vijfde kolom ( Vooruit, 30 juni 1956) geeft Boon commentaar bij Chaplins voorlaatste film, A king in New York, die slechts in 1957 in Groot-Britannië werd afgewerkt. Het filmverhaal kende hij inmiddels uit de internationale pers. Boon identificeert zich eens te meer met Chaplin, en dat in een zulkdanige mate dat hij het laat uitschijnen dat hij de film al gezien heeft en voor zijn lezers het einde beschrijft.

Het slotbeeld van de film is een Koninkske, dat een lange neus zet naar het land, dat hij achter de rug laat. En het enige wat hem nog rest, is een veilig plaatsje – voor Boon was dat zijn bekende “reservaat”, WdP – te zoeken, waar hij in ballingschap leven kan. En het land waar hij heentrekt , is Zwitserland…

Maar Boon is niet zo opgezet met de late Chaplin. Hij vermengt de film trouwens met het leven van zijn maker:

Helaas, de werkelijkheid is steeds nog wat bijtender, dan het de kunstwerken zijn… Want vindt Koninkske eindelijk in Zwitserland “het veilige plaatsje waar hij in ballingschap leven kan”, dan is dat toch niet het geval met Chaplin zelf. Naar Amerika kan hij niet terugkeren, of hij moet er vijfentwintig miljoen frank aan de fiscus betalen. En als hij die niet betaalt aan Amerika, dan moet hij het aan Engeland, waar hij geboren is (en voor het ogenblik zijn ‘Koning te New York’ maakt) of aan Zwitserland waar hij verblijft.

En weer is Koninkske, pardon Chaplin, op zoek naar dat uiteindelijke en misschien nergens bestaande “veilige plekje”. (…)

Zou hij echter niet beter zijn held een lange neus naar deze hele wereld hebben doen zetten? Want het ziet er naar uit, dat hij een koninkske uit het beloofde land zal moeten blijven…

En daarmee nam Boon voorgoed afscheid van zijn idool, de cineast Chaplin. Eerder dan de filmcriticus is hier de moralist Boon, niet voor de laatste keer, aan het woord. Op de film A King in New York is Boon nooit teruggekomen. Wellicht heeft hij hem nooit gezien, waarschijnlijk had hij er ook geen interesse meer voor.

Niet zo verwonderlijk. Boon had het vooral voor de stille film. En zeker voor die van Chaplin, waarover hij het heeft in een interview met Willem M Roggeman in 1977. Dan herinnert hij zich zelfs nog de eerste shots uit Modern Times (1940) :

En ook die grote films van Chaplin hebben mij sterk aangegrepen. Die humor van Chaplin vind je terug in mijn werk. Die bittere humor uit b.v. ‘Moderne Tijden’. Hij begint daarin met een hoop schapen en daar middenin loopt een zwart schaap. Dat is maar één flits, één seconde en dan zie je de fabriek en zie je hem daartussen lopen. Maar dat beeld met dat één zwart schaap tussen die massa schapen, dergelijke dingen die dus filmisch weergegeven waren, die wou ik ook in mijn werk zo weergeven. (4)

Zovele jaren na visie van een van Chaplins meesterwerken herinnert Boon zich filmbeelden die nauwelijks één cinefiel nog voor ogen heeft. Het bewijst zijn op het visuele afgestemde talent en zijn fenomenaal geheugen voor al datgene waarmee hij zich verwant voelde.

Toen Boon zich als filmcommentator in zijn columns uitte over het filmmedium, had hij het belangrijkste van wat de film hem te bieden had, achter de rug. Boon verlegde zijn interesse dan maar naar de wereld achter het Hollywoodscherm, naar de “koninginnen met kronen van karton” en werkte in de tweede helft van de jaren vijftig al aan De paradijsvogel en aan zijn Fenomenale Feminateek.

Interesseerde hij zich voor de stilistische aspecten van de stille film, dan was dit nauwelijks het geval voor de geluidsfilm. Daarvoor had hij veeleer misprijzen over, niet in het minst omdat deze voor zovele sterren die hij bewonderde, het einde had betekend.

In Film ( De roode vaan, 30 april 1946) spreekt Boon als volgt over de geluidsfilm:

Het is eigenlijk met alles zoo: twee stappen voorwaarts en één achter waarts. Kijk naar de film. O, ik weet het , het beste van wat gegeven wordt is niet zo slecht. En zelfs met een weinig onze geestdrift op te schroeven, kunnnen wij de film nog altijd een aparte kunst noemen. Maar wij mogen dan niet terugdenken aan de stille film van vroeger, want dan worden wij wanhopig, beginnen wij te trappelen van ongeduld, en op tanden te knarsen van ergernis. Al dat geluid in de film maakt ons alleen maar zenuwziek. Er kan geen deur dichtslaan of wij moeten het hooren. Geen schot, geen voetstap , geen windstoot, of het wordt dadelijk geïllustreerd door een, o zoo passend en “echt” geluid. Maar het is niet dàt wat wij vragen. De stille film gaf ons niet alle beelden, doch deed een keuze, onthield ons beelden waar dit overbodig was, en gaf er ons meters te veel, als dit “te veel” noodig bleek te zijn (…) Kijk nu eens naar Poedofkin (5), die in zijn tijd een ander gebruik wist te maken van het geluid. Hij filmde soldaten die een strijd gingen verliezen, maar hoe nader het tot de debacle kwam, hoe harstochtelijker het geluid werd. Het beeld toonde aan dat zij den strijd verloren, maar het geluid toonde aan hoe hun verbetenheid groeide.

Dat is geluid. Het overige is lawaai.

In zijn aanval op de “talkies” kan Boon het niet nalaten Chaplin bij zijn argumentering te betrekken. In een beschouwing over Labisse (6) ( ‘Bij het zien van Labisse. Het nut der dromen’, Vooruit, 27 juni 1952) noteert hij en passant:

Chaplin haatte de gesproken film, het gesproken woord, en was van oordeel dat alleen het beeld, het gebaar, universeel is. Daar is wel iets van. En ook daarbij moet een plastisch kunstenaar veel beknopter zijn dan zijn confrater, de romanschrijver. Een schilder plaatst u een personage voor ogen, en moet in dat enkelvoudige gebaar haast evenveel kunnen zeggen als een romanschrijver dat doet, in een boek van 300 bladzijden .

Dat het Boon in dit verband menens was, blijkt uit wat hij in Vooruit op 4 juni 1955 suggereert n.a.v. zijn ‘Boontje’ over het Van Gogh-nummer van het Antwerpse tijdschrift Het Cahier, nl. een heel nummer te wijden aan bijvoorbeeld ‘de dood van de film’.

En Boon hield niet op zijn afkeer voor de evolutie van de film sinds 1930 – de eerste min of meer “gezongen film” is The Jazzsinger uit 1927 – te formuleren.

Over “de dood van de film” heeft hij het op 13 juni 1953 in Vooruit onder de titel ‘Clowns of pioniers? De film is dood, zegt Isou’ :

Zo hebben we daar de film. Ge zult met mij accoord gaan, dat hier een vernieuwing meer dan noodzakelijk is. Het tijdperk Ruttmann, Vidor, Eisenstein – en tientallen anderen – is lang voorbij. Het was een hoogtepunt in de filmkunst… maar dat hoogtepunt in de filmkunst ligt reeds achter ons, in een al te grijs verleden. En ondertussen werd niets nieuws, niets beters, niets mooiers gemaakt. Daarna was er de klankfilm, het gesproken woord – of laat ons liever zeggen, het gezongen woord, en daardoor ging de film met reuzenschreden haar ondergang tegemoet. Toen kwam bovendien nog de kleurenfilm, en nu de reliëffilm en straks ook nog filmen met zelfs geuren erbij. Een evolutie naar steeds maar wansmakelijker en afschuwelijker dingen. En geen John Ford, geen Orson Welles slaagt er in de film dat nieuwe bloed te schenken dat zozeer nodig is. Ze herhalen alleen maar en dan nog niet steeds met hetzelfde onbetwistbaar meesterschap, wat de pioniers van de filmkunst hebben tot stand gebracht.

Er zijn ondertussen de Chaplins, die telkens een verademing betekenen. maar Chaplin is niet zozeer een “filmer”, zijn boodschap bestrijkt een heel ander terrein, en de film is het toevallige instrument waarmee hij die boodschap uitspreekt. En tevens zijn er de filmen van enkele grote schrijvers, die het eveneens wilden beproeven – de filmen van Malaparte en van Sartre. Maar ook zij zeggen “filmisch” niets nieuws, zij blijven “schrijvers” die weliswaar op dit ander terrein ook interessante dingen komen zeggen… maar het achteraf toch beter in een boek hadden gedaan.

En de rest is larie. De film, die zich aan het ontpoppen was tot een nieuwe kunst, is stilaan verzonken in de poel van een commerciële bazar. Daarom is het goed dat ook de jongeren zich nu van de film trachten meester te maken. Elaas, het is een tamelijk kostbaar goedje…

Boon bericht daarop over enkele experimenten en ideeën in verband met film van jonge Fransen uit de jaren vijftig als Jean-Isidore Isou, Gil J. Wolmans en O’ Marcel, die de traditionele film willen omturnen tot een aparte kunstvorm door hem los te koppelen van de verbale structuur en de klassieke muzikale achtergrond. Boon hoopte dat dergelijke jongeren de film nieuw leven zouden inblazen. Dat had hij zelf trouwens willen doen met zijn scenario’s, meer bepaald met De atoombom en het mannetje met den bolhoed, dat voor het eerst verscheen in 1946 in De Vlaamse Gids.

Opnieuw is het duidelijk dat Boon zich identificeert met dergelijke vernieuwings- pogingen, ze lagen immers in de lijn van zijn gedachtengang. Het gevolg is echter dat hij daardoor niet alleen het werk van John Ford minimaliseert maar ook dat van Orson Welles, realisator van o.m. het baanbrekende Citizen Kane (1941).

Wat “de filmen van Malaparte en Sartre” betreft, ook hier is “filmcriticus” Boon lichtjes ontspoord. Curzio Malaparte heeft inderdaad één film gerealiseerd, met name Il Cristo probito (1950) met o.m. Raf Vallone. Jean Paul Sartre heeft nooit een film gerealiseerd, wel heeft hij twee filmscenario’s geschreven: Les Jeux sont faits (1947) en L’ Engrenage (1948). Alleen het eerste werd verfilmd, nl. in 1947 door de Franse, zeer commerciële cineast Jean Delannoy, met de Franse actrice Micheline Presle in de hoofdrol. Boon heeft het over deze films. Ze zijn inderdaad filmisch zonder betekenis. Of hoe de “afbreker” toch weer gelijk krijgt.

Wim de Poorter

___________

1. L. P. Boon, Reservaat, Amsterdam, 1965, p.194.
2. L. P. Boon, Boontjes 1959-1960, (Herwig Leus en Julien Weverbergh, eds), Antwerpen, 1988, p. 387 (Addendum II, Annotaties).
3. Wim de Poorter, ‘De bolhoed van L.P. Boon’. In: Tijdingen, L.P. Boon-Genootschap, 1989, 2/3, p.15-25 . Zie ook: Restant, XVII (1989) 1/2, p. 571-581.
4. Willem M. Roggeman, ‘Gesprek met Louis Paul Boon’. In: De Vlaamse Gids, 61ste jg. 4, 1977, p.10.
5. Bedoeld is Poedovkin (1893 – 1953), naast Eisenstein (1989 – 1948) een van de grote cineasten van de Russische film. Boon leerde de meesterwerken van deze cineasten op zestienjarige leeftijd kennen, nadat hij op de Aalsterse academie Maurice Roggeman had ontmoet. Met hem ontdekte hij zowel in Aalst, als later in Brussel de film als artistiek medium.


By on 04:30