Inhoud:
1] mijn kleine oorlog {verslag v scholieren]
2] Boekverslag ‘De kapellekensbaan’
3] VWO verslag Mijn kleine Oorlog.
4] Vergeten Straat.
—————————————————————————————————————————–
1]Mijn kleine oorlog.
Louis Paul Boon
VERHAAL:
Mijn kleine oorlog gaat over Louis Paul Boon in de oorlog. Hij woonde in een voorstad van een
provincieplaats, achter de Aalterse Gentsesteenweg. Daar woonden mensen, die veel in het
verhaal voorkomen.
Louis was soldaat en streed tegen de Duitsers aan het Albertkanaal. Het gevecht ging niet zo
goed: er waren te veel Duitsers, de Belgische troepen hadden onvoldoende munitie en voedsel
en de Belgische legerleiding was nergens te bekennen. Louis werd gek van angst om wat hem,
zijn vrouw en/of zoontje zou kunnen overkomen.
Na het gevecht moesten Louis en Dinges zich overgeven aan de Duitsers. Als straf moesten zij
naar Duitsland lopen.
Overal langs de weg lagen dode paarden, kinderen, jonge vrouwen en Belgische en Duitse
soldaten. Louis en Dinges kwamen in een kamp terecht, waar luizen en honger niet ongewoon
waren. Soms kregen ze een kaartje van thuis…
Opeens gaat het boek verder in mei 1944, de “Roode Nacht”, toen de geallieerden dreigden
de spoorwegen en/of wapenfabrieken van de Duitsers te bombarderen.
Omdat men in de buurt van het spoor woonde, werd iedereen heel bang om getroffen te
worden, toen verkenningsvliegtuigen (rode) lichtkogels afschoten.
Louis en zijn vrouw hadden het niet meer van de angst; Louis dacht zelfs dat hij dood zou
gaan. Toch liep alles tóen goed voor hem af!
Maar niet iederéén had zoveel geluk!
Zo was er een gniepig oud mannetje, die men “de oude Ekster” of “de oude Rat” noemde.
Hij had voor de Duitsers gewerkt en daarvoor veel geld gekregen. Toen hij na zijn roes
in een bordeel wakker werd, vielen de bommen overal om hem heen. De hoeren waren
dood, het bordeel kapot en “de oude Ekster” was al zijn geld kwijt.
Een oude vriend van Louis, meneer Van den Borre, kwam er niet echt beter vanaf.
Eerst ontvluchtte hij de bommen, ging daarna in Florennes werken, maar werd dáár
uiteindelijk toch nog door bommen getroffen.
‘Mijn kleine oorlog’ bestaat uit kleine korte verhaaltjes over de armoe, waarin vooral
beschreven wordt hoe de mensen proberen wat aan die armoe te doen.
De “kleine kooldieven” gingen bijvoorbeeld stiekem ‘s nachts kolen jatten om het wat
warmer te hebben. De “Vieze” bedelde alles bij elkaar en een controleur van de
dierenbescherming liet van alles toe om zoveel mogelijk te kunnen krijgen.
Louis en Albertine deden aan deze praktijken niet mee.
Albertine verzwakte daardoor. Toen zij daarna kanker kreeg, overleed zij snel.
Dat gebeurde precies op de dag, dat de gealliëerden aan land kwamen.
‘Mijn kleine oorlog’ wordt anders na het verhaaltje “Het eerste uur”.
Een zekere meneer Prosken, die zich van niemand iets wil aantrekken, wilde voor
meer rechtvaardigheid strijden. Louis en zijn vrouw sloten zich bij hem aan.
Louis hoorde op de radio dat de mensen van het verzet uit de kampen terug
waren gekomen. Een joods meisje, dat hij kende, dat Lea Lûbka heette, zou
ook weer gezond thuis gekomen zijn. Louis was daarover eerst heel blij, maar
dat veranderde later toen hij hoorde, dat Lea overleden was, doordat ze
‘s nachts te lang in de koude regen had moeten staan.
Op een goede dag kwamen de gealliëerden aan, wat volop gevierd werd.
Alle vrouwelijke Amerikaanse soldaten hadden kauwgom en sigaretten,
behalve de “laatste”. Deze rustige vrouw – die een hazelip bleek te hebben
– gaf haar pakje sigaretten aan de vrouw van Louis.
Na de komst van de geallieerden dacht Louis: “de buitenlandse vijand is
verdreven, nu komen de oude, de binnenlandse vijanden weer aan de macht”.
In het volgende verhaaltje lezen we de bekende uitspraak van Louis Paul Boon
“Schop de menschen tot zij een geweten krijgen”. Ik denk dat Louis daarmee
bedoelde, dat de mens altijd wel probeert de baas te spelen over andere mensen.
In dit hoofdstukje zegt de schrijver dat de hoop op een betere wereld voor
hem nog kleiner is geworden.
Na dit alles vertelt Louis wat hij vijftien jaar na de oorlog beleefd heeft.
Op een plein ontmoette hij een vrouw, op wie hij erg verliefd was, toen zij tijdens
de oorlog bij zijn ouders thuis het huishouden deed. Vijftien jaar later herkende
zij hem niet meer en zag zij hem niet staan. Ze stapte in haar auto en reed met
een grijns op haar gezicht weg. De modder op de weg spatte daardoor op tegen
de broek van Louis.
Louis kwam óók de bedelaar uit de oorlog tegen. Ondanks hun gesprek, herkende
ook de “Vieze” Louis niet meer!
Het laatste verhaaltje, “Het laatste woord” gaat over Madame Odine. Deze vrouw
dacht, dat ze hoog op de sociale ladder terecht zou komen. Maar dat mislukte!
Haar zoons behaalden geen succes, maar kwamen in de gevangenis terecht!
Toen Madame Odine later op straat in elkaar zakte, sprak zij nog als laatste woord:
“Wat heeft het alles voor zin?”
Met deze vraag, die typerend is voor het hele boek, sluit ‘Mijn kleine oorlog’.
PERSONEN:
Louis Paul Boon
1; UITERLIJK: Waarschijnlijk legeruniform (begin van het verhaal)
2; VERLEDEN: Hij is geboren op 15 maart 1912 in Aalst. Na de lagere school volgde hij
2 jaar technisch onderwijs, maar werd er af gestuurd. Daarna volgde hij de
kunstacademie (sierschilderen). Daar kreeg Louis marxistische ideeën. In de oorlog
combineerde Louis journalistiek met schrijven. Later beschreef hij in opdracht
“de oorlog vanuit een wereld van een kleine man.” ( = Mijn kleine oorlog ).
3; HANDELINGEN: Hij heeft in het leger gezeten en heeft de “Roode Nacht” meegemaakt.
(zie “VERHAAL”)
4; GEVOELENS: Hij vond het vreselijk om al die armoede te zien. Hij dacht zelfs even
dat hij dood ging. (Roode Nacht) Hij was eerst heel verdrietig, maar later krijgt hij hoop.
5; BEDOELINGEN: Hij vindt dat iedereen die de oorlog meegemaakt heeft “zijn eigen
(persoonlijke) kleine oorlog” kan schrijven. Hij probeert duidelijk te maken hoe nutteloos
al die ellende en de oorlog op zich is.
Dinges
1; UITERLIJK: Waarschijnlijk legeruniform.
2; VERLEDEN: Hij heeft in Polen en in Spanje gevochten.
3; HANDELINGEN: Hij verzorgde de goudvissen. Hij ziet ‘officieren’ als de grootste vijand
4; GEVOELENS: Hij kan er moeilijk tegen, als hij al die mensen en die armoe ziet.
5; BEDOELINGEN: Hij wil dat de oorlog snel voorbij zal zijn.
De Oude Ekster / de Oude Rat
1; UITERLIJK: Klein vies min mannetje.
2; VERLEDEN: Wordt niets over gezegd.
3; HANDELINGEN: Werkte voor de Duitsers. Dronk veel en ging naar het bordeel.
4; GEVOELENS: Hij is een gierige lafaard en een egoïst.
5; BEDOELINGEN: Hij wil alleen maar van de oorlog profiteren door zoveel mogelijk geld bij
de Duitsers te verdienen.
Lea “Liesje” Lûbka
1; UITERLIJK: Ze is Joods (en gaat dus zo gekleed) en heeft een opvallend kindergezichtje.
2; VERLEDEN: Wordt niets over gezegd.
3; HANDELINGEN: Ze moest illegale kranten rondbrengen en met springstof door de stad
lopen. Ze uit haar mening “om de 2 weken.” Ze breidde veel.
4; GEVOELENS: Wordt niets over gezegd.
5; BEDOELINGEN: Wordt niets over gezegd.
PERSPECTIEF:
In dit verhaal komt vooral het ik-perspectief voor, het perspectief ligt bij Louis.
Meestal is hij hoofdfiguur, soms een bijfiguur. De ene keer vertelt hij, de andere keer
is hij meer een soort “kijker.” Er is dus een auctoriële vertelsituatie, omdat hij én
vertelt, én persoonlijke ervaringen beschrijft. Wat ook voorkomt is “Gij” (de Gij-vorm).
Soms wordt de lezer met Gij aangesproken, maar meestal is het een persoon in het
boek, die hij daarmee aanspreekt.
—————————————————————————————————-
2] Boekverslag ‘De kapellekensbaan’
Naam auteur: Louis Paul Boon
Titel Boek: De Kapellekensbaan
Plaatsnaam: Amsterdam & Antwerpen
Jaar verschijning: 1953
Jaar Druk: 25e druk, 1994
Gebruikte lesmethode: Laagland
Beschrijvingsopdracht
De motivatie van mijn boekkeuze
Ik heb dit boek gekozen omdat dit het enige boek van 4 punten was dat bij dit
thema paste. Omdat ik door boeken met veel punten te lezen mijn cijfer mondeling
voor mijn examen omhoog kan halen wil ik graag boeken met veel punten lezen.
Ook is mijn ervaring dat 1 of 2 punters mij niet echt meer kunnen boeien, ze zijn
te makkelijk.
De korte weergave van de korte inhoud.
In dit boek worden 3 situaties geschetst. Het verhaal van de schrijver van dit boek,
die zich Boontje noemt, wordt verteld, inclusief het commentaar van zijn
(denkbeeldige) vrienden op het boek dat hij schrijft. Ook het verhaal dat hij schrijft,
over een meisje Ondine wordt verteld. En een van de (denkbeeldige) vrienden van
Boontje, Johan Janssens, voegt een verhaal over Reinaerd de vos toe. Ik zal de
verhalen apart samenvatten.
Boontje
Boontje besluit een boek te schrijven over het leven en hij zegt ook welke
elementen hij er in wil stoppen. Zijn vrienden zijn bij zijn besluit.
Als eerste krijgt Boontje een aanbieding om naar Congo te gaan, een kolonie
van België waar hij woont. Hij zou dat wel willen, maar er blijkt later een test
te zijn geweest voor iedereen die naar Congo wilde. Hij was niet voor de test
uitgenodigd en ondertussen zit iedereen al in Congo. Boontje wijt het aan zijn
socialistische neigingen.
Dan wordt Johan Janssens, een dichter en dagbladschrijver, en ook socialist,
door de krant vertelt dat er een commissie komt die zijn stukken voor de krant
zal keuren op politieke correctheid. Johan besluit niet meer voor de krant te
schrijven, en hij wordt gevelschilder.
Het animo onder de vrienden van Boontje om over het boek te komen praten
daalt, en de stoelen blijven leeg. Tippetotje, de schilderes, zit in Brussel maar
schrijft wel naar hem.
Dan hoort Boontje dat zijn zus, Jeanneke, kanker heeft. Later sterft zij en
hebben zijn ouders, en vooral zijn moeder, veel verdriet. Zijn moeder zegt
tegen Boontje dat ze het hem verwijt dat hij nog leeft en zijn zuster niet,
en hij kan niets meer goed doen voor haar.
De laatste gebeurtenis is dat Boontje met zijn vrienden door weilanden loopt
en dat Boontje oppert om een boerderij te kopen en er te gaan wonen in alle rust.
Later willen een paar vrienden van hem dat ook gaan doen.
Ondine
De eerste belangrijke gebeurtenis is het wonder dat aan Ondine’s broer Valeer
gebeurt, hij leert nl in haar bijzijn lopen terwijl hij dat eerst niet kon. Zij ziet
dit als een teken van god en wil erg heilig leven. ze denkt dat ze erg belangrijk is,
en beter dan de andere mensen.
Ze breekt op een dag het offerblok van de kerk open om geld te stelen om een
leren frak voor haar broer, Valeer, te kopen.
Als ze 12 is doet ze communie. Zij gaat echter niet werken, maar mag naar school
waar ze Frans leert en recepten krijgt. Dan hoort ze van de andere meisjes dat
ze een lief hebben, en zij wil er ook een. Daarom gaat ze ‘s avonds bij de
herberg van haar oom staan als de heren uit gaan, en op een avond wordt
ze opgemerkt door meneer Ludovic. Ze wordt verliefd op hem en op Achilles,
een andere heer. Ze gaat zich meer ophouden bij de herberg, en de jongens
komen haar op een avond halen om mee te gaan naar de herberg. Toen werd
ze echt verliefd op Achilles.
Ze voelde zich nu echt belangrijk omdat ze zich met de heren ophield. Maar de
heren kwamen steeds minder naar Ter-Muren en Ondine hoorde dat Achilles in
een nieuw huis in de stad woonde. Ze besloot om in de stad nieuwe schoenen
te gaan kopen en ging ook kijken bij het nieuwe huis Daar bleef ze op Achilles
wachtten en ze viel in slaap. Achilles vond haar daar en bracht haar terug naar
de Kapallekensbaan.
Hierna werd ze regelmatig door Achilles opgehaald. Na een tijdje bleef ze ook bij
hem slapen, en ze kwam nog weinig thuis.
Achilles moest echter met iemand anders trouwen en ze stond op straat, en
ze was zwanger. Ze gooide het kind weg, zonder spijt. Ze kreeg later de
schijnwerkerij van de 4 nieuwe huizen van de Derenancourts in handen,
en zo konden zij en haar familie wat geld verdienen.
Ondine ging het geld voor de woningen maandelijks ophalen bij de toekomstige
bewoners. 1 van de 4 betaalde echter niet. Valeer verhuisde met hun nicht
naar Brussel.
Vapeur moest het geld voor het hout van de huizen gaan betalen, maar er was
geen geld, Zulma bleek alles aan de kerk te hebben gegeven. Toen Vapeur
geld was wezen innen en met niets terug kwam, ging Ondine weer zelf, en ze
ontmoette bij de 4e betaler een zoon, Oscarke, en ze vond hem leuk.
Ondine ging naar haar nicht in Brussel, en toen ze weer thuis was liet Oscarke
haar een tekening van haar gezicht zien. Ze vroeg hem ten huwelijk.
Vapeur maakte zich zorgen over de kosten van het hout. Hij ging naar de
houthandel om de situatie uit te leggen en hij kreeg een brief waarin hij beloofde
om elk halfjaar af te betalen. Ondine had een droom over Oscr en ze vroeg hem
nogmaals ten huwelijk. Haar vader zegt dat ze geld moet gaan halen bij Schatt,
die nog niet betaald hebben voor hun huis. Ondine ontdekte dat het geld, dat
ze vroeger verstopt had in een doos, weg was. Ze wist dat Valeer en haar
nicht dat gedaan moesten hebben en was erg boos.
Oscar werd zowel door Ondine als door zijn moeder opgestookt tegen de ander.
Ondine schreef een brief aan zijn moeder, maar dat haalde weinig uit, daarom
besloot ze te wachten tot hij zelf naar haar toe zou komen, en dat gebeurde.
Toen ging Ondine vaart achter het huwelijk zetten. Ze probeerde geld van
Oscark’s vader los te krijgen in ruil voor sex, maar toen ze alleen op een kamer
waren schold ze hem uit en kreeg ze het geld zo. Ook regelde Ondine, per
ongeluk, een kamer voor hen om te wonen in een herberg.
Ondine zette alle rekeningen van de benodigdheden voor het huwelijk op
kosten van de familie Schatt. Toen ze na het huwelijk samen op hun kamer
zaten voelde Ondine dat haar leven niets waard was en niets zou worden.
Reinaert
Reinaerd is een vos, en hij heeft een neef , de wolf Isengrinus. Ze proberen samen
eten te vinden, maar dat mislukt 2 keer, deels omdat ze wel samen willen werken,
maar niet willen delen.
Dan weet Reinaerd Isengrinus aan te praten dat hij monnik moet worden.
Isengrinus werd door Reinaerd een paar keer in de maling genomen en had wat
problemen in het klooster. Toen vernam hij van zijn vrouw dat zij was verkracht
door Reinaerd. Isengrinus ging er mee naar de koning, maar die was niet onder
de indruk.
Reinaerd werd er ook bij gevraagd en wist Isengrinus weer een loer te draaien
zodat Isengrinus werd gevilt.
De persoonlijke reactie
Eerste persoonlijke reactie
De tekst liet me bepaald koud. Ik heb het boek doorgelezen, en de verhalen
gevolgd, maar ik werd er geen enkel moment door gegrepen. Ik vond de 3
verhalen wat raar bij elkaar, vooral Reinaert vond ik er slecht bij passen.
Het verhaal van Ondine was me het duidelijkst en vond ik ook het leukste
gedeelte van het boek. De stukken over Boontje waren soms wel leuk, maar
vaak hadden ze weinig verband met elkaar. Het waren vooral ideeën en
opvattingen van de schrijver en zijn vrienden, en dat maakte op mij een
warrige indruk. Het verhaal over Reinaert kwam zo weinig voor dat als ik
een stuk ging lezen ik eerst terug moest bladeren naar het vorige stuk om
te kijken waar het ook al weer over ging.
Uitgewerkte persoonlijke reactie
Onderwerp
Het was mij niet echt duidelijk wat het onderwerp van het boek was. Naar
ik heb vernomen ging het over geluk en hoe mensen dat willen bereiken en
er mee om gaan. Dat vond ik wel aardig, en kon ik ook wel in alle 3 de
verhalen terug vinden maar het bleef en blijft voor mij vaag.
Een ander thema is het eigenbelang van het individu dat over het
groepsbelang heerst. De kleine man is de dupe van dat eigenbelang.
Bij het socialisme zien we dat ook terug, want zij beweren wel om voor
iedereen op te komen, maar de vraag is of dat ook lukt.
Ook is er een conflict tussen de individuele droom van mensen en het
politieke of ideologische systeem. Dit zie je mooi bij Vapeur, die een
wetenschappelijke droom wil verwezenlijken maar door niemand wordt
begrepen, en door de maatschappij niet wordt geaccepteerd.
Gebeurtenissen
In alle 3 de verhalen gebeurde dingen, ik zal mijn mening over de 3
delen apart noemen:
Boontje
Ik vind deze gebeurtenissen niet erg spannend. Het zijn normale gebeurtenissen
die niet echt veel indruk op mij maken. Ook hebben ze niet een duidelijk verband
met elkaar, ze vormen geen geheel of verhaal. Ze hebben me ook geenszins aan
het denken gezet.
Ondine
Ik vond dat het verhaal van Ondine goed in elkaar steekt. Het verhaal was helder,
en niet saai. Ik kon me er wel in inleven. De gebeurtenissen passen goed bij elkaar,
volgen elkaar logisch op. Ik vind het zoeken naar geluk erg
duidelijk in dit verhaal, Ondine zoekt het geluk door het geloof, rijke mannen,
aanzien en geld. toch is haar leven uiteindelijk normaal en saai.
Reinaert
Dit is een fragment uit een verhaal, maar wel grappig. Hier is ook het zoeken naar
geluk aanwezig, Reinaert die Isengrinus bedondert en Isengrinus die probeert goed te zijn.
Personages
De verhalen hebben verschillende hoofdpersonen, ik zal ze per deel behandelen.
Boontje
De hoofdpersoon is de schrijver Boontje. Hij is in mijn ogen een held, omdat hij
voor zichzelf een boek schrijft en zich
niet makkelijk laat beïnvloeden door de mening van anderen. Dat vind ik knap,
want als anderen kritiek geven op je werk is het moeilijk om niet beïnvloed te raken.
Boontje wordt niet goed beschreven, je komt weinig van hem te weten. Ook
van zijn vrienden kom je weinig te weten.
Je komt wel veel meningen van iedereen te weten, maar geen motieven, gedachtes
of gevoelens.
Dit is misschien zo gedaan omdat de schrijver Boontje uit het boek dezelfde
persoon is als de echte schrijver van dit boek. Als hij Boontje gevoelens zou
hebben gegeven, of gedachtes, zouden dat die van hemzelf moeten zijn.
Ik kan het wel begrijpen als iemand zijn gevoelens en gedachtes niet
zomaar prijs wil geven.
Deze personen hebben me dus niet beinvloed.
Ondine
De hoofdpersoon is Ondine. Van haar kom je veel te weten, zowel gevoelens
als gedachtes. Je maakt haar jeugd mee, tot aan haar huwelijk, dus je weet ook
veel over haar verleden. Dat zorgt ervoor dat je je goed in haar kunt inleven, als
je je met haar kunt identificeren.
Ondine is een feeks, ze doet alles om er zelf beter van te worden, zoals stelen
van de kerk en met vreemde mannen naar bed gaan. Toch verandert ze in de loop
van het verhaal, en ze eindigt als een burgervrouwtje. Haar eerste
verschijningsvorm, een gepassioneerd kind, vond ik het leukst om te lezen, omdat
er toen het meest gebeurde. de andere Ondine, aan het eind van het verhaal, is
een stuk rustiger en minder interessant om te lezen.
Ik kan niet begrijpen dat Ondine voor meer aanzien met ‘de heren’ naar bed wil,
terwijl ze uiteindelijk toch zal worden afgedankt. Ik ben zelf niet tegen sex, ook
niet bij jongeren, als je maar echt van elkaar houdt. Bij Ondine en Achilles blijkt
dit uiteindelijk ook het geval, maar dat wist ze eerst niet. Ik vind Ondine in het
begin onvoorspelbaar, omdat ze zo gepassioneerd is. Later wordt ze
voorspelbaarder.
Ondine heeft me niet beïnvloed.
Van de andere personen, zoals Vapeur, Valeer, Achilles en Oscar kom je weinig
te weten. Je krijgt hun handelingen omschreven, maar geen gevoelens of
gedachtes.
Reinaert
Reinaert is de hoofdpersoon. Hij is geen held, maar een schoft. Hij stort
Isengrinus telkens in het verderf om er zelf beter van te worden.
Isengrinus is ook wel dom, zodat hij er wel een beetje om vraagt, maar
dan vind ik Reinaert nog steeds onaangenaam. Hij botst met de samenleving,
heeft moeite om zich aan te passen. Hij heeft wel mooie praatjes.
Deze personages zijn erg oppervlakkig weer gegeven, dus ik kan er verder
niets over zeggen.
Opbouw
Ik vond het vervelend dat de verhalen door elkaar stonden, omdat je de
hele tijd om moet schakelen van het ene verhaal naar het andere. Ik vind
dat de verhalen beter in 3 delen, elk een apart deel, hadden kunnen
worden geschreven.
Er zaten geen flashbacks in, elk verhaal chronologisch van opbouw, hoewel
ze niet parallel lopen met elkaar. Ik vond het verhaal niet erg spannend,
want ik kon me weinig in de personages inleven. Alleen Ondine was daarvoor
geschikt, maar met haar kon ik me niet zo goed identificeren. Dat doet voor
mij af aan het verhaal, ik voel me dan meer een derde persoon.
Je ziet de verhalen door de ogen van de alwetende verteller, maar je krijgt
wel het idee dat het 3 verschillende personen zijn, bij elk verhaal een andere.
Als je de gebeurtenissen zou zien door de ogen van de hoofdpersonages zou
je je meer in kunnen leven, dus dat zou ik prettiger vinden. Maar dan worden
de verhalen misschien weer moeilijker te volgen, en omdat het al 3
verschillende verhalen door elkaar zijn is dat ook niet handig.
Het verhaal over Ondine is duidelijk nog niet af, want har leven gaat nog door.
Daar blijft dus een open plek. Boontje’s verhaal is af, want zijn boek is af. Zijn
leven gaat echter wel door. Reinaert zou ook door kunnen gaan en heeft een
open einde.
Geen van de eindes is echt gesloten, omdat ze niet eindigen met een definitief
einde, zoals de dood van iemand. De verhalen gaan allen nog door.
Taalgebruik
Ik vind het taalgebruik op zich niet moeilijk. Wel was het lastig dat ik sommige
woorden niet kende, omdat het een Vlaams boek is. Ik vind de verhouding tussen
dialoog en beschrijvingen bij Boontje erg verstoord, omdat er eigenlijk alleen
maar dialoog is. Bij Ondine en Reinaert vind ik de verhoudingen best.
Ik vind het wel jammer dat er niet veel aandacht wordt besteed aan het
omschrijven van de omgeving. Je kunt daarmee namelijk erg goed sfeer
oproepen en zo je lezers meer in het verhaal trekken.
Het taalgebruik heeft me geen echt problemen opgeleverd.
Verdiepingsopdracht
Ik verwachtte een boek dat ging over een gewoon meisje dat zich een
weg naar de top zou banen. Deels klopt het boek met mijn verwachtingen,
Ondine probeert zich een weg te banen naar de top, maar ze komt er niet,
en dat verraste mij. Ook de verhalen over Reinaert en Boontje had ik niet
verwacht.
Het verhaal speelt 3 keer in het Vlaamse dorpje Ter-Muren. Er is een stad
met 2 fabrieken in de buurt, verder zijn er weilanden en is er een spoorlijn.
Zomers bloeien er bloemen. De ruimte speelt maar een kleine rol, alleen het
hoog nodige wordt omschreven. Dat vind ik jammer, maar dat heb ik al
genoemd. Er zijn geen uitgebreide omschrijvingen van de omgeving of iets
dergelijks.
Ik ben er niet uit wat het thema van dit verhaal is, het gaat over geluk,
maar verder kom ik niet. Ik zie geen duidelijk verband tussen de 3 verhalen.
Ik ga secundaire literatuur over het leven van de schrijver bestuderen en
vergelijken met het boek.
Samenvatting
Louis Paul Boon wordt in 1912 geboren. In 1923 krijgt hij een zusje Jaenneke.
Hij gaat naar de basisschool en in 1926 naar de Middelbare en Hoogere
Technische school. Hji interesseert zich echter meer in Nederlands. In 1928
wordt hij van school gestuurd en schrijft hij zich in aan de stedelijke
Academie voor Schone Kunsten. Daar bouwt hij een vriendschap op met
Karel Colson en Maurice Roggeman.
In 1928 krijgt hij een broertje Frans Herman. Zijn vader drinkt per ongeluk
terpentine en wordt arbeidsongeschikt, waardoor Louis zijn studie moet
afbreken en geld moet verdienen voor het gezin. Hij wil nog steeds schilder
wordt en afficheert zich als communist, hoewel hij bij linkse partijen maar
zijdelings is betrokken.
Zijn vader is langzaam hersteld en ze zijn verhuisd naar een beter huis waar
Louis al een boek aan het schrijven is. Louis moet in militaire dienst en sluit
vriendschap met de broer van zijn toekomstige vrouw. Hij blijft schilderen.
In 1935 verlooft Louis zich met Jeanneke de Wolf. In 1936 trouwen ze.
Eerst wonen ze in een huurkamertje, maar in 1938 verhuizen ze naar
koophuis. In 1039 wordt Boon’s zoon, Jozef Clement, geboren. Hij wordt
opgeroepen voor dienst. In 1940 wordt hij krijgsgevangen genomen en als
hij na een half jaar terug keert is hij gebroken en wordt hij depressief.
Jaenneke geeft haar winkeltje op maar het gezin houdt zich staande.
Louis krijgt in 1942 de Leo J. Krijnprijs voor De voorstad groeit en doordat
zijn beroep nu letterkundige is hoeft hij niet te werken in Duitsland.
Hij maakt in 1943 een roman af, en begint aan 2 nieuwe, oa aan Madame Odile,
het begin van ‘De Kapellekensbaan’. Hij schildert bijna niet meer. Ook is hij
al een tijd met een 3e boek bezig. Hij publiceert in 1944 verschillende (delen van)
boeken. Hij sluit zich aan bij De Roode Vaan, een communistisch blad. Hij
publiceert delen van ‘De Kapellekensbaan” in het blad onder de naam
“Wereld-van-vandaag”.
Hij wordt ontslagen bij De Roode Vaan en gaat werken bij een weekblad.
In 1946 en 1947 wordt er een boek van hem gedrukt. In 1947 gaat hij
naar Engeland. Hij neemt ontslag bij zijn weekblad. Hij blijft in verschillende
bladen publiceren, maar dat levert weinig op, net als zijn publicaties. Hij
moet zelfs weer gevels gaan schilderen. Hij overlegt met zijn vrienden over
De Kapellekensbaan en publiceert er delen uit.
In 1949 sterft zijn zuster, Jeanneke. Zijn vrouw erft een kleine som, en Boon
publiceerd steeds meer en daarom kunnen ze, samen met een 3e persoon,
een stuk land dat in 2en word gedeeld. Boon bouwt er nog niet op. Hij begint
aan het 2e deel van zijn boek, Zomer te Ter-Muren. De Arbeiderspers, een
uitgeverij, durft De Kapellekensbaan uit te geven, en laat het boek in 1950
drukken. Dan verliest hij een belangrijke afnemer, Front, waardoor de
financiële situatie nijpender wordt, hij gaat boekhouden bij zijn ouders,
voor 3 maanden. Hij moet namelijk de kosten van de bouw van zijn nieuwe
huis betalen.
Dan worden er hoorspellen van Boon uitgezonden en wordt hij redactiesecretaris
van Podium en Tijd en mens. Ondertussen is het huis Huize Isengrimus af en trekt
Louis daar met zijn gezin in.
In 1953 wordt De Kapellekenbaan uitgegeven. Er worden meer stukken van hem
gepubliceerd. Er komen veel reacties op De Kapellekensbaan. In 1954 overlijdt
zijn moeder.
In 1955 begint zijn zoon Jo aan een opleiding tot fotograaf. In 1956 wordt het
tweede boek over de Kapellekensbaan gepubliceerd, Zomer te Ter-Muren. Hij
blijft publiceren, zowel boeken als in tijdschriften. Ook makt hij een aantal
olieverfschilderijen. Hij treet weer toe tot Podium. In 1961 start hij bij de radio
met een wekelijks praatje ‘Het zoutvat’.
In 1962 treed hij toe tot de tv-quiz “t is maar een woord’, waardoor hij in
Vlaanderen populair wordt. In 1965 trouwt Jo met Lucienne Muylaerd en
zij wonen een half jaar bij Louis. Het boek dat hij het jaar daarvoor uitbracht
kreeg slechtte kritieken. In 1966 ontvangt hij de Constantijn-Huygensprijs.
Hij neemt een rol in een korte film, De Bom, aan.
In 1968 sterft zijn vader en in 1969 wordt Boons kleinzoon geboren, David
Andreas. Dan neemt Louis afscheid van het schrijven en schrijft zich in aan
de Gentse Kunstacademie om schilderlessen te gaan volgen. In 1970 stopt hij
echter alweer met die opleiding. Er worden een aantal tentoonstellingen van zijn
werk gegeven. Hij ontvangt 5 prijzen voor een documentaire roman, genaamt
‘Pieter Daens of hoe in de 19e eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen
armoede en onrecht ‘.
In 1972 gaat Louis met vervroegd pensioen bij Vooruit. Hij is echter populairder
dan ooit, en hij wordt 60. Er wordt een begin gemaakt met het vertalen van zijn
boeken naar oa Engels, Spaans, Frans en Duits.
Boon blijft schrijven. In 1976 overlijdt zijn broer Frans. Hierdoor raakt Louis
in een depressie en drinkt hij veel. Ook heeft hij zelfmoordpogingen. Hij begint
in 1978 driftig te schilderen.Hij heeft dan zijn Laatste Boek geschreven, wat pas
gepubliceerd mag worden na zijn dood. Toch blijft hij schrijven. Op 10 Mei 1979
overlijd Louis Paul Boon.
Er wordt nog steeds tentoongesteld van Boons werken, en hij wilt nog een keer
bijna een prijs in 1993, met Daens.
Het is duidelijk dat de schrijver gebeurtenissen uit zijn eigen leven heeft gebruikt
in zijn boek. Hij heet zelf Louis Paul Boon, in het boek is dat Boontje, en hij heeft
een vriend Karel Colson, die je in het boek terug vind als mossieu Colson van
‘tminesterie. Verder is een deel van zijn leven, namelijk zijn schilderwerk en zijn
schrijfwerk voor de dagbladen, terug te vinden in de persoon Johan Janssens.
Ook gebeurtenissen uit zijn leven zijn terug te vinden.
Zo is zijn zus Jeanneke overleden, en in het boek overlijdt de zus Jeanneke van Boontje.
Ook het feit dat hij op een gegeven moment niet genoeg geld verdiende met artikelen
schrijven en daarom (weer) gevels moest gaan schilderen komt terug in het boek
door de belevenissen van Johan Janssens die hetzelfde overkomt. Ook de
interesses van verschillende personen in het communisme in het leven van de
schrijver en in het boek is een overeenkomst. Dat zie je terug in de betrokkenheid
van Boontje en LP Boon bij de kleine man, de ‘Jan met de pet’ die vaak van alles
de dupe is. Ook is dit aspect in zijn andere boeken te vinden.
De overeenkomsten zijn alleen te vinden in het stuk over Boontje, niet in de stukken
over Reinaert of Ondine. De relatie tussen zijn leven en het boek is dus dat een
deel van het boek is gebaseerd op delen uit zijn leven.
Bronnen
http://www.booncentrum.be/levenwerk/leven.html
Evaluatie
Ik vind het een warrig boek, het onderwerp is niet duidelijk. Het verband tussen
de drie verhalen is niet duidelijk opgebouwd. De enige overeenkomsten zijn het
communisme en het zoeken naar geluk. Niet echt iets concreets. Dat is niet storend
voor het volgen van de 3 verschillende verhalen, maar ik heb wel het idee dat ik
iets mis als het gaat over het begrijpen van het boek. Ook voor het maken van een
boekverslag is het lastig.
Mijn oordeel is niet echt veranderd, alleen het gedeelte over Boontje is me duidelijker
geworden. Ik had niet verwacht dat meerdere personen de belevenissen van de
schrijver zouden weergeven. Het is wel grappig dat er zoveel overeenkomsten zijn,
en de schrijver eigenlijk best wel open is over zijn leven. Mijn mening over het complete
boek is echter niet veranderd.
Ik ben tevreden over de verdiepingsopdracht, omdat ik denk dat ik het boek iets beter
begrijp na deze opdracht. Over de beschrijvingsopdracht ben ik ook wel tevreden, behalve
over het onderdeel ‘onderwerp’, omdat ik daar geen goed antwoord op heb kunnen geven.
Ik vond het boek om te lezen niet makkelijk, maar ook niet lastig. Het taalgebruik is goed,
en makkelijk te volgen, alleen het feit dat er 3 verhalen na elkaar worden vertelt maakt
het lezen toch weer lastiger. Het verband tussen de 3 verhalen vond ik onduidelijk.
De verdiepingsopdracht viel wel mee, mede omdat ik al eerder een website had gevonden
(en opgeslagen) met informatie over het leven van de schrijver. Ik was dus weinig tijd kwijt
met het zoeken naar informatie. Het lijkt me bij sommige schrijvers een stuk moeilijker om
informatie over hem of haar te vinden, helemaal als het om litteratuuropvatting of mens-
en wereldbeeld gaat. De vragen vond ik ook niet echt moeilijk, alleen het samenvatten
kostte me redelijk wat tijd, en vond ik vervelend.
Ik miste de kennis over wat de verhaallaag van het boek is, en wat de betekenislaag/
thematischelaag van het boek is. Daarom heb ik die vraag van de verdiepingsopdracht
ook niet kunnen beantwoorden. Ik vraag me af wat die termen betekenen.
De volgende keer zorg ik dat ik, voor dat ik een verslag maak, het boek snap en het
onderwerp weet. Hoewel ik deze keer aan een tijdslimiet was gebonden, omdat het boek
terug moest naar de bibliotheek, had ik er wel voor kunnen zorgen dat ik het wist, helaas
is dat niet gelukt.
—————————————————————————————————————————–
3] vwo verslag Mijn kleine oorlog.
1 Praktische gegevens
1.1 Titel: Mijn kleine oorlog.
Auteur: Louis Paul Boon
1.2 Jaar van Uitgave: 1974
1.3
1.4 Aantal bladzijden: 140
1.5 Datum boekverslag: 08-12-2001
2 Inhoud en opbouw
2.1 Het is een kritische oorlogsroman.
2.2 Het boek begint met een soort motivatie van de verteller voor de reden van
het schrijver en de gekozen vorm voor het boek. Dit wordt gevolgd door fragmentjes
waarin Louis Boon als gewone soldaat de (zinloze) strijd bij het Albertkanaal meemaakt,
gevangen genomen wordt en naar een krijgsgevangenenkamp wordt gebracht. De
omstandigheden aldaar zijn zeer slecht, waardoor een medegevangene zijn verstand verliest.
Hierna wordt een sprong in de tijd gemaakt naar een paar jaar later, tijdens de
bombardementen op België. In korte, schijnbaar losstaande verhaaltjes wordt een
beeld geschetst van de ‘kleine man’ gedurende de oorlog. Er waren mensen die
profiteerden van de oorlog, die de Duitsers trouw bijstonden. Ook stal men van de
Duitsers, maar ook van elkaar als het zo uitkwam. Zo deden bijvoorbeeld de kolendieven,
maar ook de bakker besteelt zijn klant. Hij hanteert woekerprijzen voor brood van slechte
kwaliteit, om zichzelf te verrijken.
Als de bevrijding nabij is steekt het actieve verzet meer de kop op, maar dit blijkt uit het
verhaal weinig voor te stellen. De bevrijding is ook al niet zo’n geweldige gebeurtenissen.
Nu de buitenlandse vijand is verdreven komen de oude gewone ergerlijke trekjes van
mens weer naar voren, zonder dat men de Duitsers de schuld kan geven. Het boek
(eerste druk) eindigt met een soort nawoord, waarin Boon opeens als schrijver weer
de pen opneemt. Hij bekritiseerd hierin de houding van de mens, en doet een beroep
(op, tja op wie? Op schrijvers, zoals hijzelf?!): ‘Schop de mensen tot zij een geweten
krijgen.’ Vanaf de tweede druk zijn er nog twee hoofdstukken toegevoegd. Hierin
beschrijft hij zijn oude dienstmeisje, waar hij stapelverliefd op was. Zij maakte hier
tijdens de oorlog dankbaar gebruik van, maar als hij haar na de bevrijding nog eens
treft gunt zij hem niet eens een groet. Een andere dorpsgenoot herinnerd zich hem
niet eens meer. In het laatste hoofdstuk beschrijft hij een vrouw die alles heeft
gedaan om hoger op de sociale ladder te komen, maar aan het eind van haar leven
op straat ineen zakt zonder iets te hebben bereikt. Dan verzucht zij: ‘Wat heeft het
alles voor zin?’ Dit is het tweede einde van het boek, een stuk negatiever dan het
eerste. Het is duidelijk dat de schrijver in zijn leven heeft ervaren dat zijn eerste roep
niet gehoord werd. Hierdoor is hij veel pessimistischer gestemd geraakt.
2.3a Het verhaaltjes spelen zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Belgen;
van herfst 1939 tot omstreeks 1 mei 1945 (terugkeer van verzetslieden uit concentratiekampen).
2.3b Van herfst 1939 tot mei 1945 is zo’n vijf en een half jaar. Dat is de verhaaltijd.
De lees- of verhaaltijd is ongeveer 3,5 à 4 uur.
2.3c Ik heb geen echte vertragingen of versnellingen kunnen ontdekken in het boek.
Het is een droge opsomming en beschrijving van verschillende gebeurtenissen,
waarin niet met de tijd gespeeld wordt.
2.3d In de laatste twee hoofdstukjes komen twee verschillende flashbacks voor. Het laatste
staat op de pagina’s 138-140. Hierin verteld hij over een vrouw die hij heeft gekend, een
echte feeks. Ze was arm maar probeerde hogerop te komen. Uiteindelijk heeft het leven
haar niets gebracht, ze sterft nog armer dan ze geboren is. Deze flashback gebruikt de
schrijver om via die mevrouw Ondine zijn laatste moraal aan het verhaal toe te voegen:
“Wat heeft het alles voor zin?”
2.4a De verhaaltjes spelen zich af bij het Albertkanaal gedurende de mobilisatie, aan de
spoorlijn vlak bij Kortrijk tijdens een bombardement, in het kamp van Fallingbostel, in
Brussel en Leuven voor meneer ‘de oude ekster’ (ook tijdens en bombardement) en
in Florennes (Fr) voor de vluchteling Van den Borre.
2.4b De volksbuurt neemt hier in zekere zin de plaats van een belangenruimte in. In
deze omgeving leven de gewone, doorsnee mensen, van wie de ‘kleine oorlog’ heel
goed beschreven kan worden.
2.5a Voordat ik met de beschrijving van de hoofdpersoon begin, zal mijn keuze moeten
motiveren. In het boek is niet echt sprake van één hoofdpersoon, omdat er verschillende
verhaaltjes worden verteld over verschillende personen. De enige die dicht in de buurt
komt is de verteller zelf, die becommentarieert. Deze is soms de hoofdfiguur, ook wel
bijfiguur, maar grotendeels toeschouwer. Toch is hij de rode lijn die de verhaaltjes verbind
tot een geheel, daarom heb ik hem gekozen als hoofdpersonage.
Louis Boon
De verteller neemt hier verschillende ‘karakters’ aan. Zo richt hij zich in het eerste hoofdstuk
vrij direct tot de lezer, waarin hij zijn motivatie om het boek te schrijven geeft. Hier is hij
duidelijk de schrijver, die verontwaardigd is over de gewetenloosheid van de mens en hier
iets aan wil doen. Daarna ‘speelt’ hij een gewone Belgische (misschien wel de gemiddelde)
soldaat. Deze soldaat is helemaal niet zo dapper of goed, het is ook maar een bang mens
eigenlijk. In Rode nacht bijvoorbeeld is hij de gewone kleine man, die niet uitblinkt in slimheid
of dapperheid. Eigenlijk (zo is de boodschap) is de mens gewetenloos en onbenullig. “…,
want ze denken nooit na, ze aanvaarden alles wat ze krijgen kunnen,…”(blz. 128)
Later neemt de schrijver de pen weer rechtstreeks op, om een roep te laten horen:
‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’. Weer een voorbeeld van zijn
verontwaardiging, maar ook positieve kijk op dingen. In de later toegevoegde
hoofdstukjes heeft hij dit optimisme duidelijk verloren, wat blijkt uit de laatste moraal:
“Wat heeft het alles voor zin?”
2.5b Louis Dinges (soldaat van de goudvissen) was een makker van Louis tijdens de
mobilisatie. Dinges hecht veel aan orde, zoals veel mensen in de oorlog vast
probeerden te houden aan oude principes.
Voncke was één van de medegevangen in het kamp te Fallingbostel. Hij is niet meer
helemaal bij zijn verstand, en Louis heeft medelijden met hem.
Staf Spies is een man die duidelijk uit de armste volksbuurt komt. Tijdens alarm
schuilde hij geregeld met zijn gezin in Louis kelder.
De Ekster is een dorpsgenoot van Louis. Hij is een ruwe vent, die elke keer als hij
geld bezit dit onmiddellijk weer uitgeeft aan gokken en de hoeren. Hij wordt door
Louis ook wel de Rat genoemd.
Van den Borre is een andere dorpsgenoot van Louis. Hij is nogal lui, en zijn
levensmotto’s zijn dan ook zo ongeveer ‘Pluk de dag’ en ‘Geen zorgen voor de
dag van morgen’. Tijdens de oorlogsdagen gaat hij in Frankrijk werken, omdat daar
niet gebombardeerd werd. Op een dag wordt daar echter wel gebombardeerd, en
vind hij alsnog de dood.
Kolendieven 42
Vieze is de ‘bedelman’ van het dorp, omdat hij geen zin heeft om te werken. Louis
zoontje is half bevriend met het zoontje van Vieze, daarom treffen de vaders elkaar
ook zo af en toe.
Antoon is elektricien, en tevens de zwager van Louis. De families wonen zo ongeveer
bij elkaar in, en vluchten samen de kelder in als er alarm is.
Jean uit Tervueren was een andere makker uit de tijd van de mobilisatie. Louis wil hem
nog een keer opzoeken, maar dat komt er steeds niet van.
Flor is een (joodse) jongen die in de Eerste Oorlog gevlucht is naar Frankrijk, zijn broer
is kwijtgeraakt, zijn tante niet gevonden heeft, in dienst moet, broer en tante terugvind,
daar weer weggaat en uiteindelijk in het dorpje bij Louis beland.
Gaston is een man die in de oorlog in het Duitse gevang heeft gezeten, maar dapper
zijn mond heeft gehouden onder alle folteringen. Uiteindelijk is hij ontsnapt aan de
Duitsers en teruggekeerd in het dorpje van Louis.
En zo zijn nog veel meer personen, die allen een rol hebben in het dorpje.
Zij symboliseren in wezen de kleine mens in al zijn verschijningsvormen.
2.6 Het verhaal wordt verteld vanuit de ik-vorm, vaak ook auctoriaal. De ikfiguur is soms
hoofd-, soms bijfiguur, meestal toeschouwer. Soms de verteller, vaak ook gewoon de
kortzichtige kleine man.
2.7a Het boek begint met een inleiding van Willem Elsschot. Het verloop bestaat uit rond
de dertig korte fragmentjes of verhaaltjes. Elk verhaaltje wordt afgesloten met een
gedeelte schijngedrukt, dit is een soort aanvulling en uitleg bij het verhaaltje. Het einde
van de eerste druk is een soort moraal, die positieve perspectieven biedt. Bij de tweede
druk heeft de schrijver nog twee verhaaltjes toegevoegd, waarvan de laatste wederom
eindigt met een soort moraal. Dit is echter een zeer pessimistische boodschap, wat duidelijk
maakt dat de schrijver in zijn leven heeft bemerkt dat zijn eerste moraal niet opging. Dit heeft
hem duidelijk verbitterd.
2.7.b De opening van het boek is informatief. De schrijver/ verteller zet heel duidelijk
uiteen waarom hij het boek heeft geschreven, en wat hem ertoe dreef voor deze vorm
te kiezen.
2.7c Het einde is gesloten. Er wordt een conclusie getrokken die verder nadenken onnodig
maakt. Het is duidelijk; niets heeft nog zin! Waarom zou er dan nog over gediscussieerd
worden? Alle hoop is gewoon verloren, er is geen redding meer voor de mensheid.
3 Motieven en Thema
3.1
- Goudvissen
De schrijver maakt met het motief goudvis duidelijk dat de mens onder alle omstandigheden
vast wil houden aan orde, en normen en waarden. Zelfs tijdens de grote chaos van het
terugtrekkende Belgische leger, wil de soldaat het gepasseerde huis netjes achterlaten.
- Gewetenloosheid
De schrijver maakt heel duidelijk dat hij geen hoge pet op heeft van het geweten van de mens.
Zo wordt bijvoorbeeld de bakker beschreven, die zichzelf verrijkt door de broodrantsoenen
zelf te behouden en de klant rotzooi mee te geven tegen woekerprijzen. Als eerste moraal
van het verhaal wordt dan ook genoemd; ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’
3.2 De mens is gewetenloos, en heeft de drang om vast te houden aan waarden en principes
tijdens de onoverkomelijke chaos van het leven.
3.3 De titel verwijst naar de oorlog voor de gewone kleine man. Boon schrijft het boek uit het
ervaringswereld van de kleine man, vandaar de Kleine Oorlog. Het is zijn persoonlijke
beschrijving van de kleine oorlog, maar eigenlijk iedereen heeft een kleine oorlog in zich.
Daarom kan de titel eigenlijk ook uw kleine oorlog luiden, of iets daaromtrent.
4 Persoonlijke mening
4.1 Ik vond het verhaaltje van de goudvissen het ontroerendst. Daarin wordt op heel
vertederende wijze de hang van mensen naar orde en regelmaat blootgelegd. Zelf in
het grootste gevaar probeert de mens nog aan deze standaarden vast te houden. En
misschien is dit ook maar goed ook! Dit houdt het geweten in zekere zin nog intact, door
het behoud van normen en waarden. Zonder deze standaarden zou onze
massa-maatschappij geen kans meer hebben.
4.2 Het Thema van ‘De donkere kamer van Damokles’ komt wel in de richting van het
thema van dit boek. In beide boeken speelt de chaos waaraan de mens is overgeleverd
een grote rol, en ook de houding van de gewone man tijdens de oorlog. Die is niet zo
dapper, hoewel dit in ‘Mijn kleine oorlog’ meer benadrukt wordt.
4.3 Het onderwerp van het boek, of eigenlijk de thematiek van de chaos en gewetenloosheid
van de mens sprak mij wel aan. Ik heb hiervoor ‘De donkere kamer van Damokles’ gelezen,
dat een soortgelijk onderwerp had. Daarom was het wel leuk om nu eens een ander soort
benadering te zien. Zo werd mijn mening over het onderwerp telkens bijgeschaafd, en
openden zich steeds nieuwe gezichtspunten. Het boek heeft mijn opvatting bevestigd
dat de mens van nature onverschillig en egoïstisch is. Het eigen welzijn wordt het belangrijkst
geacht, en de ander heeft pech gehad, zo’n idee. Ook is de mens helemaal niet zo dapper,
zelfs als hij gevoel voor rechtvaardigheid heeft.
Ik vond dat het onderwerp ook in dit boekje leuk behandeld werd. Er worden kleine stukjes
uit het leven van gewone mensen verteld, waarmee de schrijver een soort reële sfeer
opbouwt. Uit elk verhaaltje blijkt in zekere mate de chaos en/ of de gewetenloosheid
van mensen. Hierdoor wordt de mening van de schrijver je in eerste instantie niet
opgedrongen, terwijl je stiekem wel in die richting wordt geduwd. Iedereen ervaart
wel een van de vele verschillende situaties als waar, waarmee de schrijver veel mensen
aan het nadenken krijgt. Het onderwerp wordt dus heel diepgaand uitgewerkt, zonder
dat je dat als lezer je bewust bent. Erg knap gedaan!
De gebeurtenissen van mensen zijn in het verhaal belangrijker dan de gevoelens. Dit is
het geval, omdat juist de gebeurtenissen spreken van de chaos en de gewetenloosheid.
De gevoelens van de verteller worden wel uitgewerkt in de inleiding en slotscène van de
eerste druk. Hij laat hier zien dat alle aparte hoofdstukjes eigenlijk om hetzelfde draaien,
en geeft kritiek op deze houding van de mens. Hij spoort zichzelf? aan om de mensen de
‘schoppen’ tot ze een geweten krijgen. Vanaf de tweede druk is ook de laatste zin van de
nieuw toegevoegde hoofdstukjes een belangrijke moraal. Hieruit blijkt duidelijk dat de
schrijver de moed opgegeven heeft, en de strijd niet meer voortzet.
De gebeurtenissen zijn over het algemeen op het eerste gezicht niet erg spannend ofzo,
ze worden vrij droog verteld. Toch bezit elk verhaaltje een moraal, die soms erg ontroerend is.
Zo is er bijvoorbeeld de goudvissenkom-scène; een soldaat op de vlucht stoot in een huis een
goudvissenkom om, en neemt zich de tijd om dit te herstellen voor de bewoners, terwijl hij zich
in een gevaarlijke positie beving. Dit fragment vond ik zo ontroerend, omdat het zo duidelijk
maakt hoezeer de mens hecht aan waarden en normen. De gebeurtenissen komen vrij
geloofwaardig over, alleen het goudvissenkom fragment lijkt iets minder waarschijnlijk.
Leuk vind ik dat de schrijver dit meteen erna al aangeeft, hij zegt gewoon letterlijk dat
hij het verzonnen heeft. Hierdoor krijgen de andere verhaaltjes een geloofwaardiger
karakter, omdat hij dat daar niet noemt.
Schokkend vond ik het verhaaltje over Gaston en de rubberen lap. Echt verschrikkelijk hoe
mensen gemarteld werden! En het ergste vind ik nog dat dit vandaag de dag nog gebeurd,
niet hier, maar op veel plaatsten nog wel. Ik krijg gewoon kippenvel als ik eraan denk hoe
bruut de mens kan handelen. Ook het gedrag van de bakker vind ik ‘niet helemaal als het
hoort’, zoals dat heet. Ik vind het gewoon belachelijk dat iemand bewust profiteert van
het leed van anderen. Het eerste einde vind ik daarom ook erg treffend, waarin Boon
de mens eigenlijk belachelijk maakt en hem aanklaagt. Het tweede einde spreekt mij minder
aan, omdat ikzelf het liefst nog positief ben. Misschien zal het leven mij ook verbitteren zoals
duidelijk bij de schrijver het geval is geweest, maar ik wil nu nog een betere wereld bereiken.
Daarvoor ben ik tenslotte nog jong, en vol idealen….
Enkele personages in het boek waren voor mij heel herkenbaar als bepaalde type mensen die
ook in mijn eigen leefwereld ‘bestaan’. Ikzelf kon me vrij goed identificeren met de (jonge)
schrijver. Het boek was voor mij wel weer even een opfrissertje; het voorbeeld van de
schrijver zal ik nooit kunnen volgen (ik ben niet zo’n briljant schrijver!, maar ik kan de mensen
natuurlijk altijd proberen te ‘schoppen’. Te beginnen bij mijzelf!
Ik vond de opbouw van het boek vrij moeilijk, het heeft mij best wel wat moeite gekost om er
structuur te ontdekken. Daardoor was de leestijd van dit boekje voor mij ook relatief lang.
De opbouw van losse fragmentjes maakte het lastig te volgen, en ook de wisselingen van
het vertelperspectief. Nu eens was Boon hoofdpersoon ik-vorm, dan weer toeschouwer
(dan wel auctoriale verteller) en ga zo maar door. Alle stukjes apart waren echter prima
te lezen, en ook wel boeiend. Echt spannend vond ik scènes niet, maar de aflopen (zowel de
eerste als de tweede) vind ik wel intrigerend.
De taalgebruik was wat verwarrend, omdat er soms wat Vlaamse uitdrukkingen werden
gebruikt. De woordkeuze was echter over het algemeen vrij simpel. De zinnen waren
soms aan de lange kant, aangezien Boon er ‘lustig op los praatte’. Voor mij leverde
dit totaal geen problemen op, het las er niet moeilijker door. De gebeurtenissen worden
prima helder beschreven, over het algemeen vrij gedetailleerd. Ik kon me er dan ook goed
een voorstelling bij maken. Er komen geen dialogen in het boek voor, alles wordt vanuit de
schrijver beschreven. De schrijver ‘praat’ in sommige gevallen wel tegen zichzelf of tegen
de lezer, maar hier ontbreekt de tweede persoon die antwoord geeft. Ik denk niet dat dialogen
iets toegevoegd zouden hebben aan het verhaal, de schijngedrukte fragmenten aan het einde
van elk verhaaltje nemen een soortgelijke positie in; zij geven het verhaal een extra dimensie.
Fragmenten die ik echt zal onthouden zijn natuurlijk Boon’s moralen; ‘Schop de mensen tot zij
een geweten krijgen’ en ‘Wat heeft het alles voor zin?’. Deze fragmenten zijn complete
levensfilosofieën, compact beschreven in één treffende zin! Vooral de eerste sprak mij zeer
aan, alweer omdat deze het beste bij mijn eigen beleving past, natuurlijk…
Tja, wat vond ik nou eigenlijk van het boek?! Ik vond het een goed onderwerp, origineel
verwerkt en herkenbaar. Maar ook vond ik de structuur niet die van een roman, dat soms
wat verwarrend was. Ik denk dat het eerste toch zwaarder weegt. Maar dan zal ik het geen
goed boek noemen, maar wel vertellen dat ik ontzettend blij ben dat ik het gelezen heb. En
dat ben ik ook echt! En ik denk dat het voor meer mensen goed zou zijn om het gelezen te
hebben…
————————————————————————————————————-
4] Vergeten straat.
Deze tekst is gebaseerd op / ontleend aan hoofdstuk 3 uit “Het vergeefse van de droom”
van Jos Muyres. Het boek is in 1999 uitgegeven bij Uitgeverij SUN, Nijmegen.
© Uitgeverij SUN, Nijmegen 1999.
Voor meer bibliografische informatie en hoe het boek aan te schaffen: klik op de afbeelding
van het boekomslag
In Vergeten straat, Boons derde roman, raakt een straat door de aanleg van een spoorweg
(de Noord-Zuid-verbinding) afgesloten van de buitenwereld. De bewoners grijpen deze
vergissing aan om een vrije gemeenschap te stichten, maar die poging mislukt radicaal.
Eigenlijk komt ze niet eens echt van de grond. Dat is vanaf het begin duidelijk. De overtuiging
dat een vrije gemeenschap niet te realiseren is, klinkt overal door. Het mislukken van de
droom met de straat is hier – hoe kan het anders – opnieuw te wijten aan de mens en aan
het noodlot.
Boon heeft in dit boek hetzelfde procédé als in zijn eerste roman gebruikt. Opnieuw staat
een groep personages centraal: de bewoners van één straat. In tegenstelling tot Boons
eerste twee boeken kent Vergeten straat geen indeling in hoofdstukken. Het verhaal bestaat
uit een groot aantal -vaak door witregels van elkaar gescheiden- scènes. De presentatie
van het gebeuren heeft daardoor een sterk filmisch karakter.
Boon heeft hier gekozen voor een grotendeels lineair en chronologisch verteld verhaal. Er
worden wel sprongen in de tijd gemaakt, maar van flashbacks is geen sprake. Een heel
enkele keer wordt door een van de personages naar het verleden verwezen of over het
verleden verteld. Het tijdsverloop in De voorstad groeit is traditioneel en wat dit betreft
onderscheidt de roman zich niet van de indertijd gangbare literatuur.
Uniek is het decor waarin zowel De voorstad groeit als Vergeten straat spelen: in de stad,
in het allerlaagste maatschappelijke milieu. Een milieu waarin armoede en soberheid troef
zijn, een milieu waarin nauwelijks arbeiders voor komen. Opvallend veel personages werken
niet. Hoe ze aan de kost komen is onduidelijk. Het is het milieu van randfiguren en
verschopelingen op de allerlaagste trede van de maatschappelijke ladder.
Ook Vergeten straat is een uiterst pessimistisch boek.